God hééft gesproken!

Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is

Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?

Die vraag raakt het hart van het christendom.

Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.

“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”

Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?

De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

 

God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg
God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)

Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.

Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.

Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.

God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.

De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En daarna:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)

Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.

Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.

Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De Bijbel is géén onvolledig handboek

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)

Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.

De Schrift is van God ingegeven.

Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.

En Paulus gaat verder:

“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)

Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.

De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.

Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.

Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.

Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.

 

Het geloof is eenmaal overgeleverd

Judas schrijft:

“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)

Het woord “eenmaal” is hier bepalend.

Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.

Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.

Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.

Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.

Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.

En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.

Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.

De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.

Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.

 

Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd

Paulus schrijft over de Gemeente:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)

Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.

De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.

”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.

Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.

Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.

Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..

De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.

De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te

Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.

 

“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen

Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:

“God heeft mij gezegd.”

Want wie durft God tegen te spreken?

En daarin schuilt het gevaar.

Een voorganger die zegt:

“Ik denk dat dit verstandig is”

kan worden bevraagd.

Een leraar die zegt:

“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”

moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.

Maar iemand die zegt:

“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,

presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.

En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.

De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.

Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.

Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).

Denk daar eens serieus over na.

Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.

En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan  kritiekloos moeten aanvaarden?

Dat is de wereld op zijn kop.

De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.

Integendeel:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)

Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.

En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.

De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.

 

De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring

Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.

Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.

De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)

Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.

Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.

Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.

Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.

Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.

Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.

Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.

Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.

Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.

Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.

Alleen Gods Woord heeft dat gezag.

De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’

Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?

Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.

Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.

Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.

Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.

Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.

Integendeel.

Paulus spoort Timotheüs aan:

“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)

Let op dat woord: “blijf”.

De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.

Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.

Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.

Dan is er iets aan de hand.

Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.

 

Maar spreekt God dan helemaal niet meer?

Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.

Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.

Dat is een valse tegenstelling.

God spreekt vandaag door Zijn Woord.

Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.

Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.

Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).

De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.

Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.

Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.

Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.

Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.

 

Is de Bijbelse openbaring afgesloten?

God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.

Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.

Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.

Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.

Het  betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.

De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.

 

Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen

Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus is hier buitengewoon scherp.

Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.

Laat dat eens op je inwerken.

Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.

Niet de ervaring bepaalt de waarheid.

Niet de verschijning bepaalt de waarheid.

Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.

Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.

Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.

Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?

Geen.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.

Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.

Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.

Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.

Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.

Naar het Evangelie van Gods genade.

Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.

Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.

Want niemand van ons staat boven het Woord.

Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.

Ook ik niet.

Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.

En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.

 

God hééft gesproken. Luisteren wij nog?

Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.

We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.

We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.

We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.

Dat is geen geestelijke vooruitgang.

Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.

De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.

Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.

De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.

Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.

We hebben geen nieuw woord van God nodig.

We moeten terug naar het Woord van God.

 

 

Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

lees ook:

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

“Sterven aan jezelf”staat dat eigenlijk in de Bijbel?

Een Bijbelse opdracht of een menselijke uitdrukking?

Waarom goed Bijbels taalgebruik ertoe doet

“Je moet sterven aan jezelf.”

Wie kent deze uitspraak niet? In preken, Bijbelstudies, gesprekken en boeken over het christelijke leven duikt hij voortdurend op. Soms wordt er zelfs een maatstaf voor geestelijke volwassenheid van gemaakt. Hoe meer iemand aan zichzelf gestorven is, hoe geestelijker hij zou zijn.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Dat is geen zeurvraag. Want omdat de Bijbel de gelovige nadrukkelijk aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en levenswandel, betekent dat nog niet dat iedere populaire uitdrukking waarmee men die verantwoordelijkheid beschrijft, ook Bijbels verantwoord is.

De vraag is dus niet of een christen de zonde moet afleggen, zichzelf moet verloochenen of hoort te wandelen overeenkomstig zijn roeping.

Natuurlijk leert de Bijbel dat.

De vraag is of “sterven aan jezelf” een juiste Bijbelse beschrijving is van wat God van de gelovige vraagt.

En daar hebben we de kern van dit vraagstuk te pakken.

Bijbels taalgebruik
“Sterven aan jezelf”

Waar komt de uitdrukking vandaan?

De woorden “sterven aan jezelf” komen niet in de Bijbel voor.

Dat betekent niet  dat iedere gedachte die ermee wordt uitgedrukt verkeerd is. We gebruiken immers vaker woorden en formuleringen die niet letterlijk in de Bijbel staan.

Maar wanneer een uitdrukking voortdurend wordt gebruikt om het christelijke leven te omschrijven, mogen we wel vragen waar deze vandaan komt en welke betekenis deze heeft gekregen.

De gedachte heeft oude wortels in de christelijke geschiedenis, met name in de ascetische en mystieke traditie. Daar werd veel nadruk gelegd op zelfverloochening, versterving, onthouding en het overwinnen van de eigen wil.

Een bekende historische vindplaats is De navolging van Christus van Thomas à Kempis, een werk uit de vijftiende eeuw. Daar vinden we de gedachte dat iemand des te meer voor God begint te leven naarmate hij meer aan zichzelf sterft.

Dat bewijst nog niet dat Thomas à Kempis de uitdrukking heeft bedacht. Wel laat het zien hoe oud deze manier van spreken al is.

In de eeuwen daarna bleef de gedachte aanwezig in verschillende christelijke tradities. Ook binnen de gereformeerde traditie vinden we het onderwijs over de “afsterving van de oude mens”, bijvoorbeeld in zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

Later kreeg vergelijkbaar taalgebruik een plaats in evangelische, bevindelijke en andere kringen waarin veel aandacht wordt besteed aan heiliging en geestelijke groei.

De precieze Nederlandse uitdrukking is dus niet met zekerheid tot één bedenker te herleiden. Wel is duidelijk dat deze een lange kerkelijke geschiedenis heeft.

Maar daarmee is nog niets gezegd over de Bijbelse juistheid.

Een uitdrukking wordt niet Bijbels doordat hij al eeuwenlang door christenen gebruikt is.

 

Wat zegt de Bijbel?

Wanneer men spreekt over “sterven aan jezelf”, worden doorgaans verschillende Bijbelgedeelten aangehaald.

Denk aan Lukas 9:23, waar de Here Jezus spreekt over zichzelf verloochenen, dagelijks het kruis opnemen en Hem volgen.

Of aan Johannes 12:24-25, waar Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde valt en sterft, en over het liefhebben of haten van het eigen leven in deze wereld.

Ook Galaten 2:20, Romeinen 6:6 en Kolossenzen 3:5 worden regelmatig genoemd.

Maar hier moeten we goed lezen.

Want deze Schriftgedeelten spreken niet allemaal over hetzelfde. Zelfverloochening, met Christus gekruisigd zijn, de oude mens afleggen en het doden van zondige praktijken zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar daarom nog niet onderling uitwisselbaar zijn.

En wanneer we ze samenvoegen tot één algemene opdracht om “aan jezelf te sterven”, bestaat het gevaar dat we juist die onderscheidingen uitwissen die de Schrift zelf aanbrengt.

 

De oude mens is met Christus gekruisigd

Paulus schrijft in Romeinen 6:6:

“Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (STV)

Let vooral op de woorden: “met Hem gekruisigd is”.

Paulus zegt niet dat de gelovige zijn oude mens nog moet kruisigen. Hij beschrijft iets wat reeds heeft plaatsgevonden in onze verbondenheid met Christus.

Dat is niet zomaar een statement.

De gelovige wordt niet opgeroepen om alsnog tot stand te brengen wat God in Christus reeds tot stand heeft gebracht.

Ook Galaten 2:20 spreekt hierover:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (STV)

Paulus zegt niet: ik probeer dagelijks een beetje meer gekruisigd te worden.

Hij zegt:

“Ik ben met Christus gekruist.”

En vervolgens spreekt hij over het leven dat hij nu leeft, door het geloof.

Hier ligt het uitgangspunt van het christelijke leven. Niet bij een voortdurende poging om het eigen ik te laten sterven, maar bij de werkelijkheid van onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Christus.

 

Gij zijt gestorven!

Misschien is Kolossenzen 3:3 nog wel de duidelijkste uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (STV)

Hoeveel duidelijker wil je het hebben?

Gij zijt gestorven.

Niet: gij moet iedere dag proberen een stukje verder aan uzelf te sterven.

Maar: gij zijt gestorven.

En dat staat niet los van de opstanding van Christus. Het hoofdstuk begint immers met:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Merk de volgorde op.

Eerst wordt vastgesteld wat de gelovige in Christus is. Vervolgens wordt hij aangesproken op de levenswandel die daarbij behoort.

De positie in Christus vormt het uitgangspunt voor de praktijk, niet andersom.

Dat onderscheid is van cruciaal belang.

 

Maar de gelovige heeft toch een verantwoordelijkheid?

Natuurlijk!

En daarover hoeft geen enkel misverstand te bestaan.

De Schrift leert uitdrukkelijk dat de gelovige de zonde niet moet laten heersen, zijn leden niet ten dienste van de ongerechtigheid moet stellen en de zondige praktijken van zijn vroegere levenswandel moet afleggen.

Efeze 4:22 zegt:

“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande den vorigen wandel, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;” (STV)

Daarna spreekt Paulus over het vernieuwd worden in de geest van het gemoed en het aandoen van de nieuwe mens.

Hier vinden we dus een duidelijke oproep om niet langer overeenkomstig de vroegere levenswandel te leven.

Maar let op de gebruikte woorden.

Paulus spreekt over afleggen, vernieuwd worden en aandoen.

Hij zegt niet dat de gelovige aan zichzelf moet sterven.

En dat verschil is niet maar een kwestie van woordkeuze.

Ook Kolossenzen 3:5 spreekt over het doden van wat met het zondige aardse bestaan samenhangt. Romeinen 8:13 spreekt over het doden van de werkingen van het lichaam door de Geest.

Dat zijn concrete oproepen tot een heilige levenswandel.

Maar het doden van zondige praktijken is niet hetzelfde als het laten sterven van je eigen persoon.

En de opdracht om de oude levenswandel af te leggen is niet hetzelfde als de gedachte dat de oude mens nog gekruisigd moet worden.

De Bijbel leert beide waarheden: de gelovige is met Christus gestorven én hij wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn dagelijkse wandel.

Het ene mag niet tegen het andere worden uitgespeeld. Maar je mag ze ook niet met elkaar verwarren.

 

En zelfverloochening?

De Here Jezus zegt in Lukas 9:23:

“En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” (STV)

Dat is een ernstige oproep tot navolging.

Maar ook hier moeten we nauwkeurig lezen.

Zichzelf verloochenen is niet hetzelfde als aan zichzelf sterven.

Zelfverloochening betekent dat iemand niet zijn eigen belangen, verlangens of aanspraken boven de gehoorzaamheid aan Christus stelt. De oproep om het kruis op te nemen spreekt over de bereidheid om de consequenties van die navolging te dragen.

Bovendien moeten we rekening houden met de plaats van deze woorden binnen de bediening van de Here Jezus en met de verdere openbaring over de positie van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Dat betekent niet dat de woorden van de Here Jezus ons niets te zeggen hebben. Wel dat we ze zorgvuldig moeten uitleggen in hun eigen verband.

Een oproep tot zelfverloochening kan niet zonder meer worden omgezet in een algemene leer dat de gelovige dagelijks zijn oude mens opnieuw moet laten sterven.

 

Wat is dat ‘zelf’ eigenlijk?

Hier raken we misschien wel aan het grootste probleem van de uitdrukking.

Wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat een christen aan zichzelf moet sterven?

Bedoelt hij de oude mens?

Of het vlees?

Of de eigen wil?

Of de menselijke persoonlijkheid?

Of natuurlijke verlangens?

Of de neiging om zichzelf op de eerste plaats te zetten?

Dat zijn verschillende dingen.

De Schrift spreekt over de oude mens, de nieuwe mens, het vlees, de zonde, het lichaam en het leven van de gelovige. Die begrippen hebben elk hun eigen betekenis en plaats.

Wanneer iemand eenvoudigweg zegt dat we “aan onszelf moeten sterven”, wordt dat onderscheid niet duidelijk.

Sterker nog, de formulering kan de indruk wekken dat onze persoonlijkheid, onze individualiteit of zelfs ons mens-zijn een obstakel vormt dat moet verdwijnen.

Maar het doel van Gods werk in de gelovige is niet de vernietiging van diens persoonlijkheid.

Het gaat om een nieuwe levenswandel, overeenkomstig de nieuwe mens die in Christus geschapen is.

Het probleem is niet dat wij als mens bestaan. Het probleem is de zonde.

En dat onderscheid doet ertoe.

 

Hoe weet je of je genoeg gestorven bent?

Er is nog een bezwaar.

Wanneer “sterven aan jezelf” als een voortdurende geestelijke opdracht wordt gepresenteerd, ontstaat onvermijdelijk de vraag wat iemand dan concreet moet doen.

Hoe sterf je aan jezelf?

Hoe weet je of je voldoende gestorven bent?

Wanneer is het proces voltooid?

En wie bepaalt eigenlijk of iemand voldoende aan zichzelf gestorven is?

Dat zijn alweer geen zeurvragen.

Want wanneer een gelovige voortdurend te horen krijgt dat hij nog meer aan zichzelf moet sterven, kan zijn aandacht makkelijk verschuiven van Christus naar zichzelf.

Dan wordt het christelijke leven een voortdurende beoordeling van de eigen geestelijke toestand.

Ben ik al nederig genoeg? Heb ik mijn eigen wil voldoende opgegeven? Is mijn ik al voldoende gestorven?

Maar waar richt Paulus onze aandacht op?

Op Christus!

Hij schrijft in Romeinen 6:11:

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Dat is een opmerkelijke opdracht.

Niet: probeer te sterven.

Maar:

houd het ervoor dat gij der zonde dood zijt en Gode levende zijt in Christus Jezus.

Het geloof rekent met wat God heeft gezegd.

Dat betekent beslist niet dat de zonde geen enkele rol meer speelt in het leven van de gelovige. Evenmin betekent het dat heiliging vanzelf gaat of dat gehoorzaamheid overbodig is.

Maar de gelovige wordt opgeroepen om vanuit de waarheid van Gods Woord te leven, niet vanuit een onduidelijk streven naar een steeds verdergaande vernietiging van het eigen ik.

 

Een goede bedoeling maakt een uitdrukking nog niet Bijbels

Nu zal iemand misschien zeggen:

“Ja, maar iedereen begrijpt toch wat ermee bedoeld wordt?”

Is dat zo?

De ene prediker bedoelt ermee dat we onze zondige begeerten niet moeten volgen. Een ander bedoelt dat we onze eigen plannen moeten opgeven. Weer een ander spreekt over het breken van onze eigen wil.

En soms krijgt de uitdrukking zelfs de betekenis dat iemand pas werkelijk geestelijk kan leven wanneer hij zichzelf voldoende heeft overgegeven.

Dat zijn nogal verschillende opvattingen.

Natuurlijk hoeft iemand die de woorden “sterven aan jezelf” gebruikt, daarmee geen verkeerde leer te bedoelen. Het is heel goed mogelijk dat hij eenvoudigweg wil oproepen tot nederigheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening.

Maar een goede bedoeling rechtvaardigt niet automatisch een onduidelijke formulering.

Zeker niet wanneer de Schrift zelf zoveel nauwkeuriger spreekt.

Waarom zouden we zeggen dat iemand aan zichzelf moet sterven, terwijl Paulus zegt dat hij met Christus gestorven is?

Waarom zouden we spreken over het laten sterven van het eigen ik, als de Bijbel ons oproept om de zondige levenswandel af te leggen?

Waarom zouden we allerlei begrippen op één hoop vegen, terwijl Gods Woord ze juist van elkaar onderscheidt?

Bijbels onderwijs vraagt niet alleen om goede bedoelingen, maar ook om goed taalgebruik.

 

Het gevaar van een verschoven uitgangspunt

Hier ligt uiteindelijk het belangrijkste leerstellige bezwaar.

De uitdrukking “sterven aan jezelf” kan het uitgangspunt van het christelijke leven ongemerkt verschuiven.

Van wat Christus heeft volbracht naar wat de gelovige nog moet volbrengen.

Van onze positie in Christus naar onze eigen geestelijke prestaties.

Van het geloof in Gods beloften naar de voortdurende beoordeling van onszelf.

De Bijbel leert ons echter niet dat wij door voldoende aan onszelf te sterven uiteindelijk deel krijgen aan het leven van Christus.

Hij leert dat wij in Christus gestorven zijn en met Hem leven, en dat wij daarom geroepen worden overeenkomstig dat nieuwe leven te wandelen.

Dat is géén vrijbrief voor de zonde.

Het is juist de basis voor een leven dat God behaagt.

Daarom is de volgorde zo belangrijk.

Niet eerst onze inspanning en vervolgens het leven in Christus, maar eerst het leven in Christus en van daaruit onze dagelijkse wandel.

 

Terug naar de woorden en het taalgebruik van de Schrift

Het gaat er niet om dat we voortaan iedere uitdrukking die niet letterlijk in de Bijbel staat, zouden moeten afwijzen.

Maar als een bepaalde formulering onduidelijk is, verschillende Bijbelse begrippen door elkaar haalt en bovendien aanleiding kan geven tot een verkeerd begrip van het christelijke leven, waarom zouden we hem dan blijven gebruiken?

We hebben toch de woorden van de Bijbel zelf.

We kunnen spreken over het afleggen van de oude levenswandel.

Over het aandoen van de nieuwe mens.

Over het niet laten heersen van de zonde.

Over het doden van zondige praktijken door de Geest.

Over zelfverloochening en gehoorzaamheid.

En boven allles over onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Here Jezus Christus.

Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Ze hebben ieder hun eigen betekenis.

Daarom is mijn bezwaar tegen “sterven aan jezelf” niet dat deze uitdrukking te veel nadruk zou leggen op de verantwoordelijkheid van de gelovige.

Mijn bezwaar is dat deze die verantwoordelijkheid niet nauwkeurig beschrijft en makkelijk verwarring veroorzaakt over wat Christus reeds heeft volbracht.

De gelovige hoeft niet alsnog te sterven om ‘in Christus’ te kunnen leven.

Hij is met Christus gestorven. Hij is met Hem opgewekt. En dáárom wordt hij opgeroepen om ‘in nieuwigheid des levens’ te wandelen.

Dat is niet minder serieus dan de oproep om “aan jezelf te sterven”.

Het is veel rijker.

Want het richt onze blik niet allereerst op onszelf, maar op Hem in Wie ons leven verborgen is.

Edit: dit gedeelte is ook ondubbelzinnig duidelijk:

Romeinen 6 (STV)

11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

De vraag is dan ook niet hoeveel van onszelf wij nog moeten laten sterven, maar of wij werkelijk leven vanuit hetgeen God ons in Christus reeds geschonken heeft.

En misschien moeten we ons bij al die vertrouwde christelijke uitdrukkingen wat vaker afvragen:

Zeggen we eigenlijk nog wat de Bijbel zegt? Of zijn we zo gewend geraakt aan ons eigen godsdienstige taalgebruik dat we het verschil niet eens meer opmerken?

lees ook:

Staat en toestand van de gelovige – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights