Er is een pagina toegevoegd aan deze website:
Chinese Bijbel downloads – Bijbelse basis
Daar staat de Bijbel klaar om op uw toestel te lezen of te bewaren.
Veel zegen!
Er is een pagina toegevoegd aan deze website:
Chinese Bijbel downloads – Bijbelse basis
Daar staat de Bijbel klaar om op uw toestel te lezen of te bewaren.
Veel zegen!
“God kan niet sterven.”
Het klinkt indrukwekkend. Het wordt in gesprekken tussen moslims en christenen dan ook regelmatig gebruikt als argument tegen de Godheid van de Here Jezus Christus.
De redenering lijkt eenvoudig:
God kan niet sterven.
Jezus stierf.
Dus Jezus kan niet God zijn
Klaar Einde gesprek.
Maar is dat ook zo?
Nee. Het probleem zit meteen al in de eerste zin. Want voordat iemand kan zeggen dat God “niet kan” sterven, mens worden of Zich op een bepaalde manier openbaren, moet eerst duidelijk gemaakt worden wat daarmee precies bedoeld wordt.
En daar begint het islamitische argument behoorlijk te kraken.

Een veelgehoord islamitisch bezwaar tegen het christelijk geloof luidt ongeveer:
“Hoe kan God mens worden?”
Of:
“Hoe kan God sterven?”
Of:
“Hoe kan God één zijn en toch Vader, Zoon en Heilige Geest?”
Vaak wordt de vraag niet gesteld als oprechte vraag, maar als conclusie:
“Dat kan niet.”
Maar ho eens even.
Kán God het niet?
Of zou God het volgens jou niet doen?
Dat zijn twee totaal verschillende beweringen.
Wanneer iemand zegt:
“God kan geen menselijke natuur aannemen”,
dan doet hij een uitspraak over (de grenzen van) Gods macht.
En daar ontstaat binnen de islam een bijzonder probleem. Want de islam benadrukt voortdurend de absolute almacht en soevereiniteit van Allah.
Als God werkelijk almachtig is, op welke grond zegt een mens dan:
“Dat kan Hij niet”?
Binnen invloedrijke islamitische theologische tradities, in het bijzonder de Ash’aritische traditie, wordt zeer sterk benadrukt dat Allah absoluut vrij en soeverein is in Zijn wil.
God wordt niet geregeerd door iets dat boven Hem staat.
Prima.
Maar dan ontstaat onmiddellijk een probleem wanneer dezelfde moslim vervolgens tegen de christen zegt:
“God kan onmogelijk een menselijke natuur aannemen.”
Hoezo niet?
Wie bepaalt die grens?
Als God almachtig is, waarom zou het dan onmogelijk zijn dat Hij, zonder op te houden God te zijn, een werkelijke menselijke natuur aanneemt?
Je hoeft op dat moment zelfs nog niet te bewijzen dát de menswording heeft plaatsgevonden.
De eerste vraag is veel eenvoudiger:
Is God daartoe in staat?
Wanneer het antwoord “nee” luidt, is de volgende vraag onvermijdelijk:
Wie of wat beperkt Hem dan?
Dat is een nogal ongemakkelijke en schurende vraag.
Het christelijk geloof zegt niet dat God veranderde van God in een mens.
Dat zou inderdaad onbijbels zijn.
De Schrift leert dat het Woord vlees geworden is:
“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)
Johannes had vlak daarvoor geschreven:
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)
Het Woord was God.
En datzelfde Woord werd vlees.
Niet: God hield op God te zijn.
Niet: God veranderde in een mens.
Maar: de Zoon nam een volledig menselijke natuur aan.
Daarmee wordt de vraag ineens anders.
Niet:
“Kan God mens worden?”
Maar:
“Heeft God Zich op deze wijze geopenbaard?”
Dát is de vraag waarover we het dan hebben.
Dan komt het tweede bezwaar:
“Als Jezus God is en Jezus stierf, dan stierf God. Maar God kan niet sterven. Dus Jezus is niet God.”
Ook hier wordt meer verondersteld dan bewezen.
Wat bedoelen we met “sterven”?
Bij de dood houdt iemand niet op te bestaan.
De Bijbel beschrijft de dood als scheiding.
Jakobus schrijft:
“Want gelijk het lichaam zonder geest dood is…” (Jakobus 2:26, STV)
Als een mens sterft, verdwijnt hij niet in het niets.
Het lichaam sterft. De geest wordt van het lichaam gescheiden.
Waarom zou de dood van Christus dan moeten betekenen dat de Zoon van God ophield te bestaan?
Dat is helemaal niet wat christenen geloven.
Hier komen we bij een waarheid die niet pas bedacht is toen moslims begonnen te argumenteren.
Eeuwen vóór Mohammed werd er al uitvoerig nagedacht over de vraag hoe de Goddelijke en menselijke natuur van Christus zich tot elkaar verhouden.
De Bijbel geeft daarvoor zelf de bouwstenen.
Van Christus wordt gezegd:
“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” (Kolossenzen 2:9, STV)
Let op die woorden.
Niet: een beetje Godheid.
Niet: een afgeleide goddelijke kracht.
“Al de volheid der Godheid.”
En tegelijk wordt Hij werkelijk mens genoemd.
Paulus schrijft:
“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw…” (Galaten 4:4, STV)
De Zoon nam dus werkelijk onze menselijke natuur aan.
Hij had een echt lichaam.
Hij kende honger.
Hij kende dorst.
Hij werd moe.
Hij kon lijden.
En Hij kon naar Zijn menselijke natuur sterven.
Maar op geen enkel moment hield Hij op Gods Zoon te zijn.
Hier moeten we nauwkeurig zijn.
Niet een “menselijke Jezus” los van de Zoon van God stierf aan het kruis.
De Persoon Die aan het kruis hing, was dezelfde Persoon Die Johannes “het Woord” noemt.
Daarom kan Paulus zelfs schrijven:
“…indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.” (1 Korinthe 2:8, STV)
Wie werd dus gekruisigd?
“De Heere der heerlijkheid.”
Dat is buitengewoon kractig gezegd.
De Zoon onderging werkelijk de dood in de menselijke natuur die Hij had aangenomen.
Zijn Godheid hield niet op te bestaan.
De Goddelijke natuur werd niet vernietigd.
God verdween niet drie dagen uit het universum.
Dat is een belachelijke karikatuur van het christelijk geloof.
Er is bovendien nog een groot verschil tussen onze dood en de dood van de Here Jezus Christus.
Wij sterven omdat wij sterfelijke mensen zijn.
Wij hebben de dood uiteindelijk niet onder controle.
Christus wel.
Hij zei:
“Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen.” (Johannes 10:17-18, STV)
Dat verandert alles.
Jezus was geen hulpeloos slachtoffer van gebeurtenissen die uit de hand liepen.
Hij gaf Zijn leven.
Vrijwillig.
Bewust.
Volgens het raadsbesluit van God.
Dat is geen zwakheid.
Dat is macht onder vrijwillige vernedering.
En daar verschuift het islamitische argument meestal.
Eerst klinkt het:
“God kan geen mens worden.”
Maar zodra gevraagd wordt waarom de Almachtige dat niet zou kunnen, verandert het vaak in:
“God zou Zich nooit zo vernederen.”
Aha.
Dat is een ander argument.
Nu gaat het niet meer over Gods macht, maar over Gods karakter.
En daar ligt het hart van het Evangelie.
De vraag is niet of wij het passend vinden dat God Zich vernederde.
De vraag is of God heeft geopenbaard dat Hij het deed.
Paulus schrijft over Christus:
“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” (Filippenzen 2:6-8, STV)
Dat is het grote wonder van het Evangelie.
Niet dat God te zwak was om Zich tegen mensen te verdedigen.
Maar dat de Zoon vrijwillig neerdaalde.
Wanneer een moslim zegt:
“God kan niet mens worden”,
Stel dan de ontwapenende vraag:
“Bedoel je dat God dat niet zou willen, of dat God daartoe niet in staat is?”
Dat onderscheid haalt veel verwarring uit het gesprek.
Wanneer hij zegt:
“God kan het niet”,
vraag:
“Hoe rijm je dat dan met Gods almacht?”
Wanneer hij zegt:
“God zou het niet doen”,
vraag:
“Hoe weet je dat?”
Want dan gaat de discussie niet langer over veronderstelde onmogelijkheden, maar over openbaring.
Wat heeft God echt gedaan?
Wie is Jezus Christus?
Wat zeggen de eerdere Schriften over Hem?
Waarom wordt Hij in het Nieuwe Testament genoemd:
het Woord dat God is;
Immanuël, “God met ons”;
de Heere der heerlijkheid;
de Schepper;
de Eerste en de Laatste;
Degene in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont?
Dat zijn vragen waar men niet omheen kan door plompverloren te zeggen:
“God kan dat niet.”
Voor de islam is het kruis een struikelblok.
En bepaald niet alleen voor de Islam…..
Voor het Evangelie staat uitgerekend dáár Gods kracht centraal.
Paulus schrijft:
“Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.” (1 Korinthe 1:18, STV)
De wereld verwacht macht in verheffing.
God openbaarde Zijn kracht in vernedering.
De wereld verwacht overwinning door de tegenstander te vermijden.
Christus overwon door de dood binnen te gaan en eruit op te staan.
en vaHet antwoord vinden we niet in het winnen van een filosofisch spelletje.
Christus is gestorven.
Christus is begraven.
Christus is opgestaan.
En juist doordat Hij Mens was, kon Hij sterven.
Juist doordat HijGod is, kon de dood Hem niet houden.
Petrus verkondigde over Hem:
“Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.” (Handelingen 2:24, STV)
Let op wat hier onmogelijk wordt genoemd.
Niet dat God mens wordt.
Niet dat Christus sterft.
Maar dat de dood Hem zou kunnen vasthouden.
Dát is het Evangelie
Daarom is
“God kan niet sterven”
geen geldig argument tegen de Godheid van Christus.
Het berust op een verkeerde voorstelling van zowel de menswording als de dood van Christus.
De christen gelooft niet dat Gods bestaan drie dagen ophield.
Hij belijdt dat de Zoon werkelijk mens werd, werkelijk leed, werkelijk stierf en werkelijk opstond uit de dood.
Daarom komt uiteindelijk alles neer op één vraag:
Wie is Jezus Christus?
Zie ook:

Er zijn Bijbelteksten waarbij ongeveer niemand zegt:
“Dat gold alleen voor de eerste eeuw.”
Maar zodra een tekst botst met moderne opvattingen over man, vrouw, gezag en leiderschap, verschijnt opvallend snel het bekende:
“Ja, maar…”
Dat gebeurt misschien wel nergens zo duidelijk als bij de zogenoemde zwijgteksten van Paulus.
“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.” (1 Korinthe 14:34-35, STV)
En:
“Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:11-12, STV)
Dat klinkt voor ons niet echt eigentijds….
En misschien ligt daar wel de echte beproeving van onze opvattingen over Schriftgezag.
Geloven we dat de Bijbel Gods Woord is zolang hij zegt wat wij toch al acceptabel vonden? Of mag Gods Woord ook onze moderne overtuigingen corrigeren?
Maar er is tegelijkertijd een waarschuwing nodig voor de andere kant. Want ook een traditionele uitleg kan meer in een tekst leggen dan er werkelijk staat.
De vraag is dus niet:
wat wil links of rechts hiervan maken?
De vraag is:
Wat staat er echt?

Als Korinthe 14:34 geïsoleerd geciteerd wordt, lijkt de conclusie eenvoudig: vrouwen moeten tijdens de gemeentelijke samenkomst hun klep houden.
Maar zo eenvoudig ligt het niet.
Een paar hoofdstukken eerder schrijft Paulus namelijk:
“Maar een iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd…” (1 Korinthe 11:5, STV)
Wat we verder ook van de hoofdbedekking en het profeteren vinden, één ding kunnen we moeilijk ontkennen: Paulus spreekt over vrouwen die bidden en profeteren.
Daarmee wordt een uitleg van absoluut “zwijgen” problematisch.
Als Paulus in hoofdstuk 11 rekening houdt met een vrouw die bidt of profeteert, kan hij in hoofdstuk 14 moeilijk bedoelen dat een vrouw onder geen enkele omstandigheid één woord hoorbaar zou mogen uitspreken.
We moeten dus naar de context.
En hier wordt het interessant.
Het woord “zwijgen” wordt in 1 Korinthe 14 namelijk helemaal niet uitsluitend voor vrouwen gebruikt.
Over iemand die in een vreemde taal spreekt terwijl er geen uitlegger aanwezig is, schrijft Paulus:
“Maar zo er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.” (1 Korinthe 14:28, STV)
Even later gaat het over profeten:
“Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.” (1 Korinthe 14:30, STV)
En daarna pas:
“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen…” (1 Korinthe 14:34, STV)
Dat plaatst de zwijgtekst ineens in een veel duidelijker kader.
De spreker in een vreemde taal moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.
Een profeet moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.
En vrouwen wordt binnen diezelfde geordende samenkomst eveneens opgedragen te zwijgen.
“Zwijgen” betekent in dit hoofdstuk dus niet automatisch: de betreffende persoon mag tijdens een samenkomst nooit enig woord uitspreken.
Het gaat over orde.
Dat is de hele context van 1 Korinthe 14.
Paulus behandelt een samenkomst waarin gesproken, geprofeteerd en in talen gesproken wordt. Maar geestelijke activiteit is geen vrijbrief voor chaos.
Hij schrijft:
“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.” (1 Korinthe 14:33, STV)
En het hoofdstuk eindigt met:
“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” (1 Korinthe 14:40, STV)
Daar moeten we de zwijgteksten dus in plaatsen.
Het probleem wordt niet opgelost door eenvoudig te zeggen:
“Vrouwen mogen nooit spreken.”
Maar evenmin door te zeggen:
“Dat was toen en heeft ons niets meer te zeggen.”
Beide reacties zijn te kort door de bocht
1 Timotheüs 2 maakt het moeilijker om weg te redeneren
Wie vervolgens 1 Timotheüs 2 leest, ontdekt dat Paulus nog specifieker wordt.
“Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:12, STV)
Nu gaat het niet maar over spreken.
Paulus noemt leren en over de man heersen.
Dat maakt het moeilijk om de zwijgteksten uitsluitend te verklaren vanuit wanorde tijdens de samenkomsten in Korinthe.
Maar dan gebeurt iets wat voor de hedendaagse discussie nog belangrijker is.
Paulus vertelt namelijk zelf waarom hij deze orde geeft.
Direct na zijn woorden over leren en gezag schrijft Paulus:
“Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.” (1 Timotheüs 2:13, STV)
En vervolgens:
“En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.” (1 Timotheüs 2:14, STV)
Dat maakt het populaire argument dat Paulus uitsluitend rekening hield met de cultuur van zijn tijd behoorlijk lastig.
Paulus schrijft niet:
“Want zo hoort dat in onze cultuur.”
Hij schrijft niet:
“Want vrouwen hebben in Efeze onvoldoende onderwijs genoten.”
Hij schrijft niet:
“Want de maatschappelijke verhoudingen laten op dit moment niets anders toe.”
Hij gaat terug naar Adam en Eva.
Naar Genesis.
Naar de schepping.
Je kunt natuurlijk proberen aannemelijk te maken dat bijzondere omstandigheden in Efeze een rol speelden. Maar je kunt vervolgens niet doen alsof Paulus zelf zijn argument daarop baseert.
Dat doet hij niet.
En daar begint het bekende
“Ja, maar…”
gevaarlijk te worden.
Want waar eindigt dat argument?
Wanneer een Bijbelse opdracht die ons niet bevalt cultureel bepaald wordt genoemd, moeten we een objectief criterium hebben waarmee we dat kunnen aantonen.
Anders wordt “cultureel bepaald” slechts een keurige kerkelijke uitdrukking voor:
“Wij vinden dit tegenwoordig niet meer acceptabel.”
En dan hebben we een levensgroot probleem.
Want dan bepaalt de cultuur dus welke gedeelten van de Bijbel nog gezag hebben.
Niet de Schrift beoordeelt onze cultuur.
Onze cultuur beoordeelt de Schrift.
Dat is precies de verkeerde volgorde.
Een ander veelgehoord argument is dat man en vrouw in Christus gelijk zijn.
Dat is waar.
Paulus schrijft:
“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)
Maar wat bewijst deze tekst?
Dat alle gelovigen dezelfde positie in Christus hebben.
Niet dat alle onderlinge verschillen in verantwoordelijkheid, roeping en functie opgeheven zijn.
De Jood houdt na zijn bekering immers niet op een Jood te zijn en de Griek houdt niet op een Griek te zijn. Een man houdt evenmin op man te zijn en een vrouw houdt niet op vrouw te zijn.
Gelijke waarde is niet hetzelfde als identieke functie.
Dat onderscheid zijn we in onze tijd grotendeels verleerd.
We denken al snel dat verschil automatisch ongelijkheid betekent en dat gezag automatisch onderdrukking inhoudt.
Maar dat is geen Bijbels uitgangspunt.
Dat wordt nog duidelijker in 1 Korinthe 11:
“Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.” (1 Korinthe 11:3, STV)
Als onderdanigheid noodzakelijk minderwaardigheid betekent, krijgen we hier onmiddellijk een enorm leerstellig probleem.
Paulus noemt immers ook God het Hoofd van Christus.
Orde betekent dus niet dat degene die zich onderwerpt minder waard is.
En gezag betekent Bijbels evenmin dat degene aan wie verantwoordelijkheid gegeven wordt belangrijker is.
En daar heeft menselijke hoogmoed veel schade veroorzaakt.
De Bijbelse orde is geen vrijbrief voor mannen om over vrouwen te heersen alsof zij geestelijk tweederangs zijn.
Maar misbruik van een Bijbelse waarheid maakt die waarheid nog niet onwaar.
Dat moeten we nadrukkelijk vaststellen.
Nergens leert Paulus dat een vrouw geestelijk minderwaardig zou zijn.
Integendeel, het Nieuwe Testament kent tal van vrouwen die actief betrokken zijn bij het werk van het Evangelie.
Het probleem ontstaat wanneer we vanuit hun belangrijke plaats vervolgens concluderen dat iedere functie daarom voor iedereen identiek moet zijn.
Die conclusie volgt niet automatisch.
De vraag bij 1 Timotheüs 2 is niet of vrouwen bekwaam, intelligent, geestelijk volwassen of waardevol kunnen zijn.
De vraag is wat Paulus leert over orde, leren en gezag binnen de Gemeente.
Dat zijn verschillende vragen.
Wie ze door elkaar haalt, krijgt onvermijdelijk verwarring.
Hier wordt het wel spannend.
Want 1 Timotheüs 2 staat niet ergens geïsoleerd.
Onmiddellijk daarna behandelt Paulus in 1 Timotheüs 3 het opzienerschap:
“Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.” (1 Timotheüs 3:1, STV)
En vervolgens:
“Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man…” (1 Timotheüs 3:2, STV)
Dat volgt direct op het gedeelte waarin Paulus grenzen stelt aan het leren en gezag uitoefenen over de man.
Die samenhang mogen we niet negeren.
Wanneer tegenwoordig wordt beweerd dat het geslacht van een voorganger of opziener principieel geen enkele rol meer kan spelen, moeten we daarom niet allereerst vragen of dat maatschappelijk wenselijk is.
We moeten vragen:
Hoe wordt die conclusie uit deze teksten afgeleid?
Dat is dus een andere vraag.
Nu komt de andere kant.
Want het is makkelijk om 1 Timotheüs 2:12 als een hamer te gebruiken en vervolgens 1 Korinthe 11:5 zorgvuldig te vergeten.
Dat mag evenmin.
Paulus spreekt daar daadwerkelijk over een vrouw die bidt of profeteert.
Wie dus beweert:
“Een vrouw mag tijdens een samenkomst onder geen enkele omstandigheid hoorbaar spreken”,
moet óók uitleggen waarom Paulus enkele hoofdstukken eerder spreekt over een vrouw die bidt en profeteert.
We mogen niet tegen moderne christenen zeggen dat zij moeilijke teksten moeten laten staan, terwijl we vervolgens zelf een tekst die niet in ons traditionele systeem past stilletjes overslaan.
Dat is misschien minder populair om te zeggen, maar het is wel eerlijk.
Daarom moeten we deze discussie niet voeren als een wedstrijd tussen progressief en conservatief.
De Bijbel behoort aan geen van beide kampen.
De echte en belangrijke vraag is:
Mag de Schrift ons allemaal corrigeren?
De moderne lezer moet bereid zijn te erkennen dat Paulus zijn onderwijs over man en vrouw niet eenvoudig opzij laat zetten door onze huidige culturele opvattingen.
De traditionele lezer moet bereid zijn te erkennen dat “zwijgen” niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een absoluut verbod voor iedere vrouw om tijdens iedere samenkomst iets te zeggen.
We moeten alle Schriftgegevens laten staan.
Ook wanneer dat ons eigen systeem minder overzichtelijk maakt.
En daar zit een wrange ironie in de hele discussie over de zwijgteksten.
Aan de ene kant worden deze teksten soms gebruikt om vrouwen veel meer beperkingen op te leggen dan de tekst werkelijk zegt.
Aan de andere kant worden de teksten zo cultureel gerelativeerd dat Paulus uiteindelijk zelf niets meer mag zeggen.
De ene kant laat de vrouw zwijgen waar Paulus dat niet noodzakelijk doet.
De andere kant laat Paulus zwijgen waar hij juist heel duidelijk spreekt.
Beide zijn problematisch.
Want uiteindelijk heeft niet onze cultuur het laatste woord.
Ook onze kerkelijke traditie niet.
En onze persoonlijke voorkeur evenmin.
Daarmee zijn we terug bij de kern.
“Ja, Paulus zegt dat wel, maar…”
“Ja, 1 Timotheüs 2 staat er wel, maar…”
“Ja, Paulus verwijst naar Adam en Eva, maar…”
We moeten ontzettend voorzichtig worden wanneer onze uitleg voornamelijk bestaat uit argumenten waarom een Bijbeltekst niet kan of mag betekenen wat er kennelijk staat.
Soms is uitleg noodzakelijk.
Context is noodzakelijk.
Taalstudie kan noodzakelijk zijn.
Schrift met Schrift vergelijken is noodzakelijk.
Maar uitleg behoort duidelijk te maken wat de Schrift zegt, niet hoe wij eraan kunnen ontsnappen.
Dat verschil is beslissend.
De zwijgteksten zijn veel meer dan een discussie over de positie van vrouwen in de Gemeente.
Ze stellen uiteindelijk een diepere vraag:
Wie heeft het hoogste gezag?
Onze cultuur?
Onze denominatie?
Onze persoonlijke ervaring?
Onze ideeën over gelijkheid?
Onze kerkelijke traditie?
Of het Woord van God?
Paulus sluit zijn behandeling van de orde in de samenkomst opvallend scherp af:
“Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.” (1 Korinthe 14:37, STV)
Dat vers verdient in deze discussie misschien wel veel meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt.
Paulus zegt niet: dit zijn mijn persoonlijke voorkeuren als eerste-eeuwse Jood.
Hij beroept zich op het gezag des Heeren.