In deze video onderzoek ik een fundamentele vraag: wat zegt de Koran zelf over de Thora, het Evangelie en de kruisiging van Jezus Christus, en hoe verhouden die claims zich tot de historische feiten?
De Koran ontkent in Soera 4:157 dat Jezus werd gekruisigd. Tegelijkertijd zegt de Koran dat Allah de Thora en het Evangelie heeft gegeven, dat daarin ‘leiding en licht’ zijn en dat de Koran de eerdere openbaring bevestigt. In Soera 5:47 worden de mensen van het Evangelie zelfs opgeroepen te oordelen naar hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard. En in Soera 10:94 wordt Mohammed, in het geval hij zou twijfelen, verwezen naar degenen die de Schrift vóór hem lazen.
Dat roept belangrijke vragen op. Als het Evangelie vóór Mohammed al vervalst was, waarom verwijst de Koran er dan naar als gezaghebbende openbaring? Naar welk Evangelie moesten de christenen in de zevende eeuw volgens Soera 5:47 oordelen? En als Jezus niet werd gekruisigd, hoe verklaren we dan dat Zijn kruisiging, dood en opstanding al vanaf de vroegste christelijke verkondiging centraal stonden, eeuwen vóór het ontstaan van de islam? In deze video leg ik de claims naast elkaar en laat de teksten zelf spreken.
Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde (1 Korinthe 1:23, STV)
DISCLAIMER:Deze video is allerminst bedoeld om moslims te bespotten of aan te vallen. Integendeel: omdat waarheid ertoe doet, moeten religieuze claims onderzocht mogen worden. Lees de Koran. Lees het Evangelie. Onderzoek de historische gegevens. En stel vervolgens jezelf de vraag: welke boodschap over Jezus vinden we daadwerkelijk in de bronnen die eeuwen vóór Mohammed bestonden?
Er zijn momenten waarop je niet precies weet wat je nodig hebt. Je weet alleen dat je het zelf (even) niet meer redt. Misschien ben je moe of zelfs afgemat Misschien maak je je zorgen. Misschien ben je teleurgesteld, bang of moedeloos. Misschien bid je al lange tijd om iets en lijkt er maar niets te veranderen. Misschien lijkt het soms wel alsof de hemel op slot zit.
Juist voor zulke momenten bevat de Bijbel een buitengewoon warme uitnodiging:
“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” (STV)
— Hebreeën 4:16
Let op wat hier staat.
Er staat niet:
zorg eerst dat je sterk of heilig genoeg bent.
Er staat niet:
kom pas wanneer je geloof groot genoeg is.
Er staat niet:
los eerst je problemen op en nader daarna tot God.
Er staat:
Kom!
Nader tot God
Je mág bij God komen
Hebreeën 4 begint deze uitnodiging niet bij ons, maar bij de Here Jezus Christus:
“Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.” (STV)
— Hebreeën 4:14
Dat maakt hét verschil.
Onze toegang tot God is niet gebaseerd op hoe goed wij het vandaag doen. Niet op onze emoties. Niet op onze geestelijke prestaties. Niet op de vraag of wij ons waardig genoeg voelen.
Onze toegang tot God rust op Jezus Christus.
Hij is onze grote Hogepriester.
Daarom kunnen en mogen wij komen.
Hij kent onze zwakheid
Misschien denk je soms dat niemand echt begrijpt wat er in je omgaat. Mensen kunnen met je meeleven, maar uiteindelijk kunnen zij niet voelen wat jij voelt.
Van Christus zegt de Schrift:
“Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.” (STV)
— Hebreeën 4:15
Dat woord zwakheden is belangrijk.
God nodigt geen mensen uit die eerst hun zwakheden hebben overwonnen. Hij nodigt mensen uit die juist midden in hun zwakheid Zijn hulp nodig hebben.
Christus kijkt niet afwachtend afstandelijk toe.
Hij weet wat verzoeking is. Hij weet wat lijden is. Hij weet wat afwijzing is. Hij weet wat verdriet is.
En daarom mogen wij juist in onze zwakheid tot Hem gaan.
De troon is een troon van genade
Een troon spreekt normaal gesproken van majesteit, gezag en oordeel.
Maar voor degene die tot God komt door Christus wordt hier gesproken over:
de troon der genade.
Dat is allemachtig prachtig.
De God Die volkomen heilig is, heeft in Christus de weg geopend waardoor wij met vrijmoedigheid tot Hem mogen naderen.
Niet omdat zonde ineens onbelangrijk is geworden.
Niet omdat God minder heilig is geworden.
Maar omdat Christus voldoende is.
Daarom mag de gelovige komen en daar vinden wat hij uit zichzelf nooit kan voortbrengen:
barmhartigheid en genade
Nader tot God
Jakobus geeft dezelfde uitnodiging op een andere manier:
“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)
— Jakobus 4:8
Wat een eenvoudige maar krachtige woorden, en troostvolle woorden…..
Nadert tot God
Misschien verwacht je een ingewikkelde geestelijke methode. Een stappenplan misschien….Misschien denk je dat je eerst een bepaalde ervaring moet hebben. Misschien denk je dat je God alleen kunt naderen wanneer je sterke gevoelens van geloof ervaart.
Maar de Schrift zegt eenvoudig:
“Nadert tot God…” (NBG’51)
Richt je tot Hem.
Zoek Hem.
Spreek met Hem.
Open Zijn Woord.
Belijd wat verkeerd is.
Breng je zorgen bij Hem.
Vraag om wijsheid.
Vraag om kracht.
Vraag om genade.
En daarbij klinkt die heerlijke belofte:
“…en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)
God zegt niet dat degene die Hem zoekt buiten moet blijven staan.
Hij nodigt je binnen.
God zoeken betekent niet dat Hij Zich voor jou verstopt
Wanneer de Bijbel spreekt over God zoeken, betekent dat niet dat God ergens verborgen zit en wij Hem door voldoende religieuze inspanning maar moeten zien te vinden.
Voor de gelovige is de toegang tot de Vader reeds geopend door Christus.
Paulus schrijft:
“Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader.” (STV) [Jood en heiden]
— Efeze 2:18
En:
“In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.” (STV)
— Efeze 3:12
Zie je hoe vaak dat woord toegang terugkomt?
Christus heeft de weg geopend.
Daarom is God zoeken niet proberen een gesloten deur open te krijgen.
Het is door de geopende deur naar binnen gaan.
Je hoeft niet eerst sterk te worden
Dit is misschien een van de grootste misverstanden in ons geestelijk leven.
Wij denken vaak:
Als ik straks wat sterker ben, zal ik weer meer bidden.
Als ik mijn gedachten beter op orde heb, zal ik God zoeken.
Als ik mijn leven eerst wat beter geregeld heb, kan ik weer dichter bij Hem komen.
Maar als wij zo denken, keren wij de boodschap van Hebreeën 4 om.
Daar staat namelijk niet dat sterke mensen naar de troon van God mogen gaan.
Daar staat dat wij daarheen gaan omdat wij hulp nodig hebben.
Je hoeft dus niet eerst sterk te zijn om bij God te komen.
Je gaat naar God omdat je Hem nodig hebt.
Bij Hem is barmhartigheid
Barmhartigheid betekent dat God Zich ontfermt.
Wij hebben niet alleen oplossingen nodig. Wij hebben Hem nodig.
Soms zijn wij hard voor onszelf. We vinden dat we sterker hadden moeten zijn. Dat we beter hadden moeten reageren. Dat we verder hadden moeten zijn.
Maar aan de troon der genade vinden wij geen koude afstandelijkheid.
Wij vinden barmhartigheid.
Dat betekent niet dat God alles wat wij doen goedkeurt. Jakobus roept juist ook op tot reiniging en bekering.
Maar degene die zich tot God keert, ontmoet een God Die genadig is.
Bij Hem is genade
Genade is meer dan vergeving alleen.
Genade is Gods onverdiende goedheid.
Genade draagt.
Genade versterkt.
Genade leert.
Genade helpt ons verder wanneer onze eigen kracht tekortschiet.
Paulus hoorde van de Heer:
“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (STV)
— 2 Korinthe 12:9
Wij denken vaak dat onze zwakheid eerst moet verdwijnen voordat God iets met ons kan doen.
God zegt juist dat Zijn kracht in zwakheid zichtbaar kan worden.
Bij Hem is hulp op het juiste moment
Hebreeën 4:16 eindigt met:
“…om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” (STV)
Daar zit een bijzondere belofte in.
God belooft niet dat Hij iedere moeilijke omstandigheid onmiddellijk wegneemt.
Maar Hij belooft wel dat er bij Hem hulp te vinden is.
Soms bestaat die hulp uit uitkomst.
Soms uit kracht om verder te gaan.
Soms uit vrede terwijl de omstandigheden nog hetzelfde zijn.
Soms uit wijsheid voor een beslissing.
Soms uit troost.
Soms uit correctie.
Soms uit het vermogen om nog één dag verder te gaan.
Maar hoe die hulp er ook uitziet: wij worden uitgenodigd haar bij Hem te zoeken.
Misschien is dit wel precies wat je vandaag nodig hebt
Misschien draag je iets mee waar bijna niemand vanaf weet.
Misschien ben je moe van het vechten.
Misschien heb je geen lange woorden meer voor een gebed.
Dan hoeft dat ook niet.
Je kunt eenvoudig zeggen:
Heer, ik heb U nodig.
Dat is geen zwak geloof.
Dat is gewoon erkennen waar onze hulp vandaan komt.
De psalmist zegt:
“Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” (STV)
— Psalm 121:2
Niet van onze eigen kracht.
Niet van onze omstandigheden.
Niet van onze controle.
Onze hulp is van de HEERE.
Kom zoals je bent, maar blijf niet waar je bent
Jakobus verbindt het naderen tot God ook met bekering:
“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen.”
Gods genade betekent nooit dat zonde er niet meer toe doet.
Wie tot God nadert, wordt ook opgeroepen alles los te laten wat tussen hem en God in staat.
Maar daarbij mogen wij ook weten dat wij niet eerst onszelf hoeven te reinigen om daarna misschien welkom te zijn.
Wij komen tot Hem omdat wij Hem nodig hebben.
Zijn licht maakt zichtbaar.
Zijn Woord corrigeert.
Zijn genade verandert.
De uitnodiging staat nog altijd open
Misschien is dat uiteindelijk de kern van Hebreeën 4:14-16 en Jakobus 4:8.
God zegt:
Kom!
Kom niet omdat je sterk bent.
Kom omdat Christus sterk is.
Kom niet omdat je alles begrijpt.
Kom omdat Hij wijsheid heeft.
Kom niet omdat je jezelf kunt redden.
Kom omdat er bij Hem hulp is.
Kom niet omdat je genade hebt verdiend.
Kom omdat Zijn troon een troon van genade is.
“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade…” (STV)
En:
“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)
Misschien hoef je vandaag niet eerst alle antwoorden te vinden.
Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid
Mag een christen eigenlijk wel genieten?
Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:
“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)
Lees vooral die laatste woorden nog eens:
“om te genieten.”
Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.
Een Christen mag genieten
Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:
Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.
Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:
heb je iets waarvan je geniet?
De veel belangrijkere vraag is:
Welke plaats heeft het in je leven?
Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.
Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.
Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:
“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)
En meteen daarna:
“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)
Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:
“datzelve is een gave Gods.”
Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:
“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)
Vervolgens zegt hij:
“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)
Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:
Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.
Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:
“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)
Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:
Ik geniet van wat God mij geeft.
en:
Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.
In het eerste staat God boven Zijn gaven. In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:
“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)
Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:
mijn bezit is mijn zekerheid.
Maar:
God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.
Dat is weer iets heel anders. Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:
“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)
Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.
“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”
Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:
“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)
Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp
Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:
“Mag dit eigenlijk wel?”
Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:
“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)
Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.
De vraag is niet alleen:
mag ik hiervan genieten?
Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.
Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?
Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:
“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)
Dat is mooi in balans.
De rijke krijgt niet te horen:
schaam je voor wat je hebt.
Maar evenmin:
het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.
Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:
welke plaats krijgt God?
Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:
Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.
Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:
“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)
Misschien moeten we maar eens stoppen geestelijker te willen zijn dan de Schrift.
Als God goede dingen geeft om te genieten, mogen wij ze dankbaar uit Zijn hand ontvangen.
Zonder schuldgevoel.
Zonder hoogmoed.
Zonder afgoderij.
Maar met dankbaarheid.
Geniet van de gave. Eer de Gever. En vergeet niet te delen.