Galaten 6:14: roemen in het kruis

Niet in christelijk succes

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Er zijn Bijbelteksten die nauwelijks ruimte laten voor religieuze zelfverheerlijking. Galaten 6:14 is er één van.

Paulus zegt niet dat hij een beetje minder wil roemen in zichzelf. Hij zegt niet dat menselijke prestaties best waardevol zijn, zolang Christus er maar bij genoemd wordt. Hij trekt een veel radicalere grens:

er blijft voor hem maar één grond van roem over: het kruis van de Here Jezus Christus.

Dat staat haaks op veel van wat tegenwoordig als christelijk succes wordt gepresenteerd.

Groei. Invloed. Bereik. Aantallen. Zichtbaarheid. Een groter podium. Een grotere gemeente. Een grotere bediening. Meer impact.

Maar waar in dit alles staat het kruis?

Want Paulus zegt niet:

Zie eens wat wij voor Christus bereikt hebben.

Hij zegt:

zie wat Christus heeft volbracht.
Galaten 6 vers 14

 

De context maakt Galaten 6:14 nog scherper

Galaten 6:14 staat niet los in de brief. Paulus bestrijdt in Galaten een religie waarin aan het volbrachte werk van Christus alsnog iets van de mens werd toegevoegd.

De besnijdenis speelde daarin een belangrijke rol.

Paulus schrijft vlak vóór onze tekst:

Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.” — Galaten 6:13 (STV)

Daar staat het probleem.

Roemen in uw vlees.

Het ging om iets zichtbaars. Iets waarmee men kon aantonen dat men resultaat had geboekt. Er kon als het ware worden gezegd: kijk eens hoeveel mensen wij zover hebben gekregen.

En dan komt Paulus:

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is geen vrome aanvulling.

Dat is een regelrechte afwijzing van religieuze roem.

 

Het kruis laat niets van de menselijke grootheid heel

Waarom is het kruis zo vernietigend voor menselijke trots?

Omdat het kruis verklaart dat de mens zichzelf niet kan redden.

Als opvoeding voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als religie voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als de wet de mens had kunnen rechtvaardigen, was het kruis niet nodig.

Als menselijke verbetering voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Paulus had dit eerder in dezelfde brief al vlijmscherp gezegd:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” — Galaten 2:21 (STV)

Daarom kan wet en genade niet eenvoudig worden samengevoegd tot één christelijk systeem waarin Christus het grootste deel doet en de mens vervolgens het ontbrekende stuk aanvult.

Het kruis zegt niet dat de mens een zetje nodig had.

Het kruis zegt dat Christus alles moest doen.

 

Het christendom heeft opnieuw leren roemen in het vlees

De vorm is veranderd.

We eisen misschien niet meer dat christenen besneden worden. Maar het beginsel waartegen Paulus strijdt, is bepaald niet verdwenen.

Ook vandaag kan het vlees religieus worden.

Sterker nog: het vlees kan zeer christelijk klinken.

“We hebben zoveel mensen bereikt.”

“Onze gemeente groeit enorm.”

“God gaat ons groot maken.”

“Wij gaan deze stad innemen.”

“Onze invloed zal verdubbelen.”

“God brengt ons naar een hoger niveau.”

“Wij bouwen iets geweldigs voor God.”

Het klinkt indrukwekkend.

Maar Galaten 6 stelt een ongemakkelijke vraag:

waarin wordt hier eigenlijk geroemd?

In Christus?

Of in het zichtbare resultaat van menselijke activiteit?

Dat onderscheid is essentieel.

Een grote gemeente is niet automatisch een verkeerde gemeente. Veel bereik hebben is geen zonde. Groei kan een zegen zijn.

Maar groei is geen Bijbelse maatstaf voor waarheid.

Succes is geen bewijs van Gods goedkeuring.

Aantallen bewijzen geen Bijbelgetrouwheid.

Zichtbaarheid bewijst geen geestelijke vrucht.

En invloed is nergens het fundament waarop de gelovige geroepen wordt te roemen.

 

Paulus had genoeg om menselijk in te roemen

Het opmerkelijke is dat Paulus naar menselijke maatstaven juist indrukwekkende geloofsbrieven bezat.

Hij kende de Schrift. Hij was opgevoed binnen het Jodendom. Hij had een indrukwekkende religieuze achtergrond. Hij was ijverig. Hij had aanzien kunnen verwerven.

Maar toen hij Christus leerde kennen, veranderde zijn rekensom.

Wat voorheen winst was, verloor zijn waarde als grond van roem.

Het kruis maakte niet alleen een einde aan zijn vertrouwen in slechte werken.

Het maakte ook een einde aan zijn vertrouwen in goede religieuze werken als grond van gerechtigheid.

Dat is veel confronterender.

Want de zondaar wil soms best erkennen dat zijn zonden verkeerd zijn.

Veel moeilijker is het te erkennen dat zelfs zijn beste religieuze prestaties hem geen millimeter dichter bij God brengen.

 

“De wereld mij gekruisigd”

Paulus gaat in Galaten 6:14 nog verder:

“…door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Het kruis heeft dus niet alleen betrekking op onze schuld.

Het heeft ook betrekking op onze verhouding tot de wereld.

En daarmee bedoelen we niet simpelweg dat een christen niets meer met ongelovigen te maken mag hebben.

Paulus spreekt over een veel funamentelere breuk.

De wereld heeft haar systeem van waardering.

Wie is belangrijk?

Wie is succesvol?

Wie heeft macht?

Wie heeft aanzien?

Wie wordt gezien?

Wie heeft invloed?

Wie krijgt applaus?

Wie heeft het grootste bereik?

Dat systeem dringt gemakkelijk de christelijke wereld binnen.

En voor je het weet spreken gemeenten dezelfde taal als ondernemingen, influencers en marketingbureaus — alleen zetten we het woord “God” ervoor.

Maar Paulus zegt:

die wereld is voor mij gekruisigd.

De waardeschaal waarop de wereld mensen meet, mag niet de waardeschaal worden waarop het Lichaam van Christus zichzelf beoordeelt.

Ook ik ben der wereld gekruisigd

Er staat nog iets:

“…en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is minstens net zo ingrijpend.

Paulus zegt niet alleen dat hij de wereld heeft afgeschreven.

De wereld heeft in zekere zin ook hem afgeschreven.

Een gekruisigde was niet indrukwekkend.

Een gekruisigde was geen winnaar.

Een gekruisigde had geen status.

Een gekruisigde werd niet bewonderd.

En juist dat beeld gebruikt Paulus voor zijn positie tegenover deze wereld.

Dat botst frontaal met christendom dat voortdurend probeert indrukwekkend, relevant, invloedrijk en maatschappelijk onweerstaanbaar te zijn.

De roeping van de Gemeente is niet om de wereld ervan te overtuigen hoe indrukwekkend zij is.

Zij is geroepen om Christus bekend te maken.

Dat kan in grote samenkomsten.

Dat kan ook door één onbekende gelovige die trouw het Woord doorgeeft aan één ander mens.

De hemel rekent kennelijk anders dan onze statistieken.

 

Het kruis betekent niet passiviteit

Hier ontstaat makkelijk een misverstand.

Wie zegt dat wij niet in menselijke prestaties mogen roemen, zegt daarmee niet dat de gelovige niets hoort te doen.

Paulus was bepaald geen passieve man.

Hij reisde, predikte, onderwees, schreef, leed en arbeidde.

Maar dat is nu juist het verschil:

hij werkte niet om iets te worden; hij werkte vanuit wat hij in Christus ontvangen had.

Dát is de richting van genade.

Niet:

werken om aanvaard te worden.

Maar:

werken omdat wij aanvaard zijn in Christus.

Niet:

presteren om identiteit te verwerven.

Maar:

wandelen vanuit de identiteit die God gegeven heeft.

Niet:

vrucht voortbrengen om leven te verkrijgen.

Maar:

vrucht dragen omdat er nieuw leven is.

Dat onderscheid is fundamenteel.

 

“Ik ben met Christus gekruist”

De gedachte van Galaten 6:14 is al eerder in de brief gegeven:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” — Galaten 2:20 (STV)

Dat is het christelijke leven in één zin.

Niet de oude mens religieuzer maken.

Niet Adam christelijk oppoetsen.

Niet het vlees leren zich netter te gedragen zodat het vervolgens trots kan zijn op zijn geestelijke vooruitgang.

Maar:

Christus leeft in mij.

Het christelijke leven is niet de verbetering van het oude Adamitische leven door hogere idealen, maar het ontvangen van nieuw leven in Christus.

Daarom volgt onmiddellijk na Galaten 6:14:

“Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.” — Galaten 6:15 (STV)

Daar ligt de sleutel.

Een nieuw schepsel.

Niet een verbeterde religieuze versie van Adam.

 

Het kruis is Gods oordeel over religieuze zelfverheffing

Dat maakt Galaten 6:14 zo ongemakkelijk actueel.

Wij kunnen met de mond zeggen dat wij roemen in Christus en ondertussen complete christelijke culturen bouwen rondom menselijke reputatie.

De succesvolle voorganger.

De charismatische leider.

De grote bediening.

Het indrukwekkende gebouw.

De duizenden bezoekers.

De internationale invloed.

De vele volgers.

De enorme conferentie.

De “beweging” die iets gaat veranderen.

Maar het kruis stelt steeds dezelfde vraag:

waarom moet de mens hier zo groot worden?

Johannes de Doper zei:

“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” — Johannes 3:30 (STV)

Het christelijke leven draait niet om de vergroting van mijn geestelijke reputatie.

Het draait om Christus.

 

Wanneer het kruis centraal staat, verdwijnt de christelijke borstklopperij

Dat betekent niet dat wij niet dankbaar mogen zijn voor wat God doet.

Natuurlijk wel.

Maar dankbaarheid en roem in eigen resultaat zijn twee verschillende dingen.

Dankbaarheid zegt:

God heeft het gedaan.

Religieuze trots zegt:

kijk wat wij hebben bereikt.

Dankbaarheid wijst omhoog.

Trots wijst naar het podium.

Dankbaarheid maakt Christus groot.

Trots gebruikt Christus om de eigen bediening groter te maken.

Daarom blijft Galaten 6:14 een noodzakelijke correctie voor iedere generatie christenen.

 

Alleen het kruis blijft over

Aan het einde blijft er voor Paulus geen indrukwekkend christelijk cv over waarop hij zich voor God beroept.

Geen wet.

Geen besnijdenis.

Geen afkomst.

Geen reputatie.

Geen religieuze prestatie.

Geen aantallen.

Geen invloed.

Geen menselijke grootheid.

Alleen Christus.

En Christus gekruisigd.

 

Daarom is Galaten 6:14 geen lieflijk wandtekstje voor aan de muur. Het is een frontale aanval op de religieuze mens die ondanks al zijn spreken over genade tóch graag iets van zichzelf wil overhouden om in te roemen.

Het kruis neemt hem dat af.

En precies daarin ligt zijn bevrijding.

Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dát is christelijk roemen: niet groot worden voor Christus, maar Christus grootmaken. Niet wijzen op onze prestaties, maar op Zijn volbrachte werk. Niet leven voor het applaus van de wereld, maar vanuit het nieuwe leven dat alleen in Hem gevonden wordt.

Zie ook:

het kruis – Bijbelse basis

Jezus is Heer, Handelingen 10:36 en 16:31 plus de Bijbel in Arabisch

Dit is het woord dat Hij gezonden heeft den kinderen Israëls, verkondigende vrede door Jezus Christus: Deze is een Heere van allen. Handelingen 10:36

Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Handelingen 16:31

>>>>>>>De complete Bijbel in het Arabisch(pdf) klik <<<<<<<

Jezus in de Koran: waarom is Hij zó uitzonderlijk?

En Mohammed dan?

De islam wil Jezus kleiner maken, portretteert Hem significant minder glorieus dan het Evangelie Hem verkondigt.

Hij mag dan wel profeet zijn Hij mag Messias heten. (Wat dat laatste betekent wordt in de Koran niet duidelijk) Hij mag uit een maagd geboren worden. Hij mag wonderen verrichten. Hij mag zelfs het Woord van Allah en een Geest van Hem genoemd worden.

Maar de Zoon van God?

Nee.

En precies daar zit een heel groot probleem.

Want hoe harder de Koran probeert Jezus terug te brengen tot “slechts een boodschapper”, hoe opvallender en sprekender de uitzonderlijke taal wordt die dezelfde Koran voor Hem gebruikt.

Daar komt nog iets bij.

Wanneer Mohammed door zijn tijdgenoten om een wonder wordt gevraagd, vinden we in de Koran niet het antwoord dat je bij de laatste en grootste profeet zou verwachten.

Geen zee die splijt.

Geen dode die opstaat.

Geen blinde die ziende wordt.

Geen melaatse die geneest.

Integendeel: telkens wanneer Mohammed om een teken wordt gevraagd, wordt het wonderverzoek afgewezen of wordt uiteindelijk naar de Koran zelf verwezen.

Dat contrast verdient veel meer aandacht.

Jezus in de Koran

Jezus is ook volgens de Koran zelf niet zomaar een profeet

Moslims zeggen vaak:

“Wij geloven ook in Jezus.”

Dat is maar heel gedeeltelijk waar.

De Koran spreekt buitengewoon hoog over Jezus. Maar juist hierdoor ontstaat een vraag die binnen de islam moeilijk verdwijnt:

Waarom is Jezus dan zo anders dan alle andere profeten?

De meest opmerkelijke tekst is Soera 4:171:

„De Messias, Jezus, de zoon van Maria, is slechts een boodschapper van Allah en Zijn Woord, dat Hij aan Maria heeft gegeven, en een Geest van Hem.”
— Soera 4:171

Let op de opeenstapeling.

Jezus is:

  • de Messias;
  • het Woord van Allah;
  • een Geest van Hem.

Dat zijn geen alledaagse titels.

Mohammed wordt nergens het Woord van Allah genoemd.

Mozes wordt nergens het Woord van Allah genoemd.

Abraham wordt nergens het Woord van Allah genoemd.

Jezus wel.

Hoe zit dat?

 

“Het Woord van Allah” kun je niet zomaar wegverklaren

De gebruikelijke islamitische verklaring is dat Jezus “het Woord” heet omdat Allah zei:

 Wees!

en Jezus daardoor tot bestaan kwam

Maar daarmee wordt het probleem niet opgelost.

Volgens de Koran schept Allah immers ook andere dingen door eenvoudig te bevelen dat zij er zijn.

Wanneer “door het bevel van Allah ontstaan” voldoende zou zijn om iemand het Woord van Allah te noemen, dan zou die titel helemaal niet uniek zijn.

Toch noemt de Koran uitdrukkelijk Jezus zo.

Dat wordt nog interessanter wanneer we het naast het Evangelie leggen:

„In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
— Johannes 1:1, STV

En vervolgens:

„En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.”
— Johannes 1:14, STV

De Koran ontkent de christelijke conclusie over Jezus, maar behoudt merkwaardig genoeg taal die juist rechtstreeks raakt aan de eeuwenoude christelijke belijdenis over Hem.

Dat bewijst op zichzelf niet dat de Koran de Godheid van Christus leert.

Dat doet hij niet.

Maar het levert wel een serieus intern probleem op voor de islamitische voorstelling dat Jezus uiteindelijk slechts één menselijke boodschapper in een lange rij profeten zou zijn.

Want waarom noemt Allah juist Hém Zijn Woord?

 

En dan: “een Geest van Hem”

Alsof “Woord van Allah” nog niet opmerkelijk genoeg is, noemt Soera 4:171 Jezus:

“een Geest van Hem.”

Ook hier probeert islamitische uitleg de betekenis doorgaans zo beperkt mogelijk te houden.

Maar de tekst blijft staan.

Niet alleen:

een geest,

maar:

een Geest van Hém.

En opnieuw rijst dezelfde vraag.

Waarom Jezus?

Waarom wordt deze taal niet op Mohammed toegepast?

Waarom niet op Abraham?

Waarom niet op Mozes?

Binnen het christelijke getuigenis is de uitzonderlijke positie van Jezus volkomen begrijpelijk. Hij is niet slechts één profeet tussen anderen.

Hij is de Zoon.

Hij is het Woord dat vlees geworden is.

Maar wanneer de Godheid van Christus eerst wordt ontkend, moet vervolgens worden verklaard waarom de Koran Hem met taal omringt die Hem voortdurend boven de gewone profetische categorie doet uitsteken.

 

Jezus wordt bovendien ondersteund door de Heilige Geest

De Koran zegt over Jezus:

“Wij hebben Jezus, den zoon van Maria, de duidelijke tekenen gegeven en Hem versterkt met den Heiligen Geest.”
— Soera 2:253

Hetzelfde komt terug in Soera 5:110, waar Allah Jezus eraan herinnert dat Hij Hem met de Heilige Geest ondersteunde.

Dat maakt de uitzonderlijke positie nog opvallender.

Jezus is:

Messias.
Woord van Allah.
Geest van Hem.
Ondersteund door de Heilige Geest.

En vervolgens is dan het antwoord:

“Maar Hij is slechts een profeet.”

Dat antwoord wordt steeds problematischer naarmate je de eigen woorden van de Koran naast elkaar legt.

 

Zelfs Zijn geboorte is volkomen uniek

Maria zegt in de Koran:

„Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”
— vgl. Soera 19:20

Het antwoord is dat dit voor Allah gemakkelijk is.

Jezus wordt dus zonder menselijke vader geboren.

Ook daarin is Hij uniek.

Daarmee komen we echter bij een opmerkelijk probleem in de manier waarop de Koran elders het christelijke Zoonschap bestrijdt.

 

Heeft God een vrouw nodig om een Zoon te hebben?

Soera 6:101 zegt:

„Hoe zou Hij een zoon kunnen hebben terwijl Hij geen gezellin heeft?”

Sta daar eens bij stil.

Het argument lijkt te zijn:

Allah heeft geen vrouw, dus hoe zou Hij een zoon kunnen hebben?

Maar christenen hebben nooit geleerd dat God met Maria gemeenschap had en daardoor Jezus verwekte.

Dat is geen christelijke leer.

Niet in het Nieuwe Testament.

Niet in de vroegchristelijke belijdenis.

Niet in de leer van de Drie-eenheid.

Christenen spreken over de Zoon van God, niet over een lichamelijke zoon die ontstond doordat God een echtgenote nam.

De Koran bestrijdt hier dus een lichamelijke voorstelling van het zoonschap die het christendom niet leert.

En het wordt nog merkwaardiger.

 

Maria kan volgens de Koran een Zoon hebben zonder man

Wanneer Maria vraagt:

“Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”

is het antwoord in Soera 19:21 in essentie:

dat is gemakkelijk voor Allah.

Dus wanneer Maria zegt:

“Ik heb geen man; hoe kan ik dan een zoon krijgen?”

is het antwoord:

Allah heeft geen man nodig om haar een zoon te geven.

Maar wanneer het gaat over God en de christelijke benaming „Zoon van God”, luidt de redenering:

“Hoe kan Hij een zoon hebben als Hij geen gezellin heeft?

Zie je het probleem?

De Koran erkent in het ene geval zelf dat een zoon door Gods bovennatuurlijke handelen kan bestaan zonder voortplanting.

Maar elders wordt Gods Zoonschap bestreden alsof een echtgenote noodzakelijk zou zijn.

Dat is géén weerlegging van het christelijke geloof.

Het is een weerlegging van een geloof dat christenen niet hebben.

 

De Koran bestrijdt vaker een christendom dat christenen niet belijden

Dat zien we eveneens in Soera 5:116.

Daar vraagt Allah aan Jezus of Hij tegen de mensen heeft gezegd:

„Neem mij en mijn moeder als twee goden naast Allah.”

Maar Maria hoort niet bij de christelijke Drie-eenheid.

De christelijke belijdenis is niet:

God – Maria – Jezus.

Maar:

Vader – Zoon – Heilige Geest.

Ook Soera 5:73 veroordeelt degenen die zeggen dat Allah “de derde van drie” (?!) is.

Maar christenen geloven evenmin dat “God één god naast twee andere goden is”.

De leer van de Drie-eenheid zegt niet:

drie goden.

Zij zegt dat er één God is.

Het probleem is daarom veel dieper dan simpelweg:

 De Koran verwerpt de Drie-eenheid.

De vraag is:

Begrijpt de Koran eigenlijk wel welke Drie-eenheid hij verwerpt?

 

Jezus verricht wonder na wonder

Het contrast met Mohammed wordt vervolgens buitengewoon scherp.

Over Jezus zegt Soera 5:110 dat Hij:

  • als baby tot mensen sprak;
  • blinden genas;
  • melaatsen genas;
  • doden uit de dood liet voortkomen;
  • uit klei de vorm van een vogel maakte en deze tot leven liet komen.

‘De Koran voegt steeds toe dat dit gebeurde met toestemming van Allah 

Maar daarmee verdwijnt het contrast niet.

Jezus doet de wonderen.

Zichtbare wonderen.

Wonderen die rechtstreeks aansluiten bij Zijn optreden als bijzondere boodschapper.

En dan komt Mohammed.

De zo genoemde laatste profeet

De boodschapper die volgens de islam de eerdere openbaringen corrigeert.

De profeet aan wie uiteindelijk de hele mensheid zich zou moeten onderwerpen.

Wat gebeurt er wanneer zijn tijdgenoten zeggen:

Laat dan een teken zien.

 

“Waarom is geen teken tot hem neergezonden?”

De vraag komt in de Koran niet één keer voor.

Hij komt telkens terug.

Soera 6:37:

„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”

Het antwoord?

Allah kan een teken zenden.

Maar er komt geen wonder waarmee Mohammed zijn critici overtuigt.

Soera 10:20:

„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”

Opnieuw.

Soera 13:7:

„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”

Opnieuw.

Soera 13:27:

opnieuw dezelfde uitdaging.

Dat is opmerkelijk.

Want stel dat Mohammed publiek wonderen verrichtte zoals Mozes en Jezus.

Waarom antwoordt hij dan niet eenvoudig:

Geen teken? Jullie hebben het toch gezien?

 

De Koran geeft zelfs een reden waarom tekenen uitblijven

Soera 17:59 zegt in essentie dat Allah ervan weerhouden werd tekenen te zenden omdat vroegere volken die tekenen hadden verworpen.

Maar wat is dat voor argument?

Mensen verwierpen ook de tekenen van Mozes.

Tóch kreeg Mozes tekenen.

Mensen verwierpen Jezus.

Tóch verrichtte Jezus volgens de Koran wonder na wonder.

Dat sommige mensen een wonder zullen verwerpen, verklaart niet waarom een profeet geen wonder ontvangt.

Een teken dient juist om zijn aanspraak te bevestigen.

 

Uiteindelijk is het antwoord: de Koran zelf

Het duidelijkst wordt het in Soera 29:50-51.

De tegenstanders vragen:

Waarom zijn geen tekenen van zijn Heer tot hem neergezonden?

Mohammed moet antwoorden dat de tekenen bij Allah zijn en dat hij slechts een waarschuwer is.

Daarna volgt het argument dat het toch voldoende zou moeten zijn dat het Boek aan hem is geopenbaard.

Dat is veelzeggend.

De mensen vragen om een teken dat Mohammeds aanspraak bevestigt.

En Mohammed verwijst hen uiteindelijk naar de boodschap waarvan zij vragen waarom zij die als goddelijke openbaring zouden moeten geloven.

De boodschap wordt daarmee haar eigen bewijs.

Maar dat is dus precies wat de vraagsteller ter discussie stelde.

 

“Maar Mohammed spleet toch de maan?”

Hier wordt vaak Soera 54:1 aangehaald:

Het uur is nabijgekomen en de maan is gespleten.

Latere islamitische traditie maakt hier een wonder van Mohammed van..

Maar lees het vers zelf.

Er staat niet:

Mohammed spleet de maan.

Er staat zelfs niet in het vers dat Mohammed een wonder verrichtte in aanwezigheid van zijn tegenstanders.

Dat verhaal wordt door latere overlevering ingevuld.

En daarmee ontstaat opnieuw een eenvoudige vraag.

Als Mohammed daadwerkelijk voor de ogen van zijn tegenstanders de maan in tweeën had laten splijten, waarom lezen we dan later nog:

Waarom is geen teken tot hem neergezonden?

Het antwoord had dan verbluffend eenvoudig kunnen zijn:

Geen teken? Hebben jullie de maan soms gemist?

Maar zo’n antwoord staat niet in de Koran.

 

En dan verschijnen de wonderen later alsnog

In de latere hadithliteratuur verandert het beeld sterk.

Daar lezen we over Mohammed bij wie water uit zijn vingers stroomt, voedsel wordt vermenigvuldigd en bomen hem gehoorzamen.

Dat maakt de spanning alleen maar groter.

Want het oudste en volgens moslims hoogste islamitische gezag — de Koran — laat Mohammed herhaaldelijk geconfronteerd worden met het ontbreken van een teken.

De veel latere overleveringen leveren vervolgens alsnog de wonderen die zijn tegenstanders tijdens zijn leven kennelijk voortdurend verlangden.

Dat roept een historische vraag op die niet met vrome beweringen kan worden weggenomen:

Waarom ontbreken die wonderen in Mohammeds eigen antwoord aan degenen die hem erom vroegen?

 

Het contrast met Jezus kan nauwelijks groter zijn

Daarmee komen de lijnen samen.

Over Jezus zegt de Koran:

Hij is de Messias.

Hij is het Woord van Allah.

Hij is een Geest van Hem.

Hij wordt door de Heilige Geest ondersteund.

Hij wordt uit een maagd geboren.

Hij geneest de blinde.

Hij reinigt de melaatse.

Hij brengt de doden tot leven, met Gods toestemming.

Hij zal bovendien volgens de islamitische verwachting een buitengewone rol aan het einde der tijden vervullen.

Hij zal Gods oordeel brengen.

En Mohammed?

Wanneer om een teken wordt gevraagd:

Ik ben slechts een waarschuwer.

De asymmetrie is enorm.

De islam wil Mohammed boven Jezus plaatsen als laatste profeet, maar haar eigen bronnen geven Jezus kenmerken die Mohammed niet heeft.

Zelfs Satan krijgt op Jezus geen vat

De hadiths maken het contrast nog opvallender.

In Sahih al-Bukhari 3286 wordt overgeleverd dat Satan ieder kind bij de geboorte aanraakt, maar dat dit bij Jezus niet lukt.

Sahih al-Bukhari 3431 noemt Maria en haar Zoon als uitzonderingen.

Ook Sahih Muslim 2366a bevat deze traditie.

Nogmaals dan de vraag:

Waarom Jezus?

Waarom deze uitzonderingspositie?

Waarom niet Mohammed?

Waarom wordt degene die volgens de islam ‘slechts een profeet’ is voortdurend met uitzonderingen omgeven?

De islamitische bronnen lijken steeds hetzelfde probleem te creëren dat de islamitische leer vervolgens moet proberen weg te verklaren.

 

Misschien moeten we de vraag wel omdraaien

Moslims vragen christenen geregeld:

Waar zegt Jezus letterlijk: Ik ben God, aanbid Mij?

Maar misschien moet er eerst iets worden uitgelegd:

Waarom spreekt zelfs de Koran op zo’n uitzonderlijke manier over Jezus Christus?

Waarom is Hij het Woord van Allah?

Waarom een Geest van Hem?

Waarom de Messias?

Waarom uit een maagd?

Waarom ondersteund door de Heilige Geest?

Waarom verricht Hij wonderen die Mohammed in de Koran niet verricht?

Waarom kan Satan Hem volgens de hadith niet aanraken?

En waarom moet een boek dat zes eeuwen na Christus verschijnt vervolgens zeggen dat de fundamentele boodschap van de apostelen over Zijn kruisiging niet klopt?

 

Ga terug naar de oudste getuigen

Wanneer twee religies elkaar tegenspreken over Jezus, moet de vraag niet zijn:

Welke traditie ben ik gewend?

maar:

Welke getuigen staan het dichtst bij Jezus Zelf?

De Koran verschijnt ongeveer zes eeuwen na Christus.

Het Nieuwe Testament voert ons terug naar de eerste eeuw, naar de apostolische verkondiging en naar mensen die Jezus kenden of direct verbonden waren met degenen die Hem kenden.

Daar vinden wij geen Jezus die alleen maar de komst van Mohammed aankondigt.

Daar vinden wij:

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
— Johannes 1:1, STV

Daar vinden wij Thomas die voor de opgestane Christus uitroept:

Mijn Heere en mijn God!
— Johannes 20:28, STV

Daar vinden wij Paulus:

Welke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
— Romeinen 9:5, STV

En daar vinden wij het warme hart van het Evangelie:

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.
— 1 Korinthe 15:3-4, STV

Dat is de Jezus van de Bijbel.

Niet slechts een profeet.

Niet de voorloper van Mohammed.

Niet iemand die aan het kruis vervangen moest worden.

Maar de gekruisigde en opgestane Here Jezus Christus.

Onderzoek niet alleen wat je over Jezus is verteld

De vraag aan de moslim is daarom niet of hij respect voor Jezus heeft.

De veel belangrijkere vraag is:

Wie is Jezus echt?

Wanneer zelfs de Koran Hem uitzonderlijke titels geeft, uitzonderlijke geboorte, uitzonderlijke wonderen en een uitzonderlijke verhouding tot de Geest van God, wees dan niet tevreden met het antwoord:

Hij was gewoon een profeet.

Onderzoek waarom Hij zo anders is.

En wanneer Mohammed als laatste boodschapper wordt gepresenteerd, onderzoek dan eveneens waarom de mensen om hem heen herhaaldelijk vroegen waarom hij geen teken ontving — en waarom de Koran hun niet antwoordt met de indrukwekkende wonderen die pas later uitgebreid in de hadith verschijnen.

Wees daarin een Bereeër.

En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.
— Handelingen 17:11, STV

Onderzoek.

Vergelijk.

Vraag door.

En bovenal: laat niet een latere religieuze traditie bepalen wie Jezus zou mogen zijn.

Ga terug naar de getuigen van het begin.

 

Geverifieerd door MonsterInsights