Staat en toestand van de gelovige

Een belangrijk principe

Waarom tobben zoveel christenen over de vraag of ze wel “goed genoeg” zijn voor God? En hoe kan de apostel Paulus de gelovigen in Korinthe aan de ene kant “geheiligden in Christus Jezus” noemen, terwijl hij hen een paar hoofdstukken verder de mantel uitveegt om hun vleselijke gedrag en onderlinge strijd?

Het antwoord op deze vragen ligt in een belangrijk Bijbels principe: het onderscheid tussen staat (positie) en toestand (praktische wandel). Wie dit onderscheid eenmaal leert zien, ontdekt de sleutel tot de nieuwtestamentische brieven en ervaart de bevrijdende rust van Gods Genade.

 

De staat van de gelovige

De staat van een gelovige is de volmaakte, onveranderlijke en hemelse positie die hij voor God inneemt vanaf het allereerste moment dat hij in Jezus Christus gelooft.

  • Volkomen: Deze positie wordt niet opgebouwd door menselijke inspanning, gebed, kerkelijke ijver, vroomheid of goede werken. Het is een volstrekt onverdiende gave van God op grond van het volbrachte werk van Christus aan het kruis.
  • Voor iedere gelovige: In Gods ogen bezit de meest zwakke, pasbekeerde of onwetende gelovige exact dezelfde rechten, zekerheden en hemelse zegeningen als de meest ervaren en gezegende christen.
  • Onveranderlijk : Onze positie voor God kan in de hemel niet volmaakter worden dan zij nu al is. In Christus is de gelovige gerechtvaardigd, levend gemaakt, mede opgewekt, in de hemel gezet, verzegeld met de Heilige Geest en gemaakt tot een onmisbaar lid van het Lichaam van Christus.

De toestand van de gelovige

De toestand heeft betrekking op het praktische, dagelijkse leven; het leven van de gelovige hier en nu op aarde.

  • Nog in ontwikkeling: Waar de staat vanaf dag één volmaakt is, is de praktijk van het dagelijks leven vaak nog gebrekkig. De wandel en het karakter van een gelovige kunnen in de praktijk helaas nog ver beneden het niveau van zijn hemelse positie liggen.
  • De strijd tussen oude en nieuwe natuur: In het dagelijks leven ervaart de gelovige de aanwezigheid van de oude natuur (het vlees) en de nieuwe mens (het leven van Christus in ons). Die twee staan van nature tegenover elkaar.

 

Mefiboset bij David - Bijbels type
Mefiboseth bij David

Mefiboseth bij koning David

In de Bijbel wordt dit onderscheid prachtig geïllustreerd aan de hand van de geschiedenis van Mefiboseth uit 2 Samuël 9:

Mefiboseth was de kleinzoon van koning Saul. Hij was kreupel aan beide voeten door een val in zijn jeugd en woonde in Lo-Debar , een dorre plaats die “geen weide” betekent. Uit liefde voor zijn vriend Jonathan haalde koning David Mefiboseth op en schonk hem een vaste plaats aan de koninklijke tafel.

  • Zijn staat veranderde radicaal: Op het moment dat David hem aannam, werd Mefiboseths staat die van een koningszoon. Hij zat dagelijks aan de tafel van de koning en deelde in de rijkdom van het paleis.
  • Zijn toestand bleef hetzelfde: Hoewel zijn staat verheven was tot die van een koningskind, bleef zijn praktische toestand onveranderd: hij bleef kreupel aan beide voeten. Onder de koninklijke tafel waren zijn verlamde voeten echter bedekt door de genade van de koning.

Zo draagt ook de gelovige een zwak en vernederd lichaam met zich mee, terwijl hij door God geplaatst is op de hoogst denkbare koninklijke positie.

De volgorde

Een van de grootste bevrijdingen in het christelijk leven is het inzicht in Gods volgorde van handelen. Onder de Wet van Mozes eiste God eerst gehoorzaamheid voordat de mens zegen kon ontvangen (“Doe en leef”). Onder de Genade werkt God precies andersom (“Geloof en leef”):

  1. God geeft eerst de hoogst denkbare staat om niet, op grond van geloof.
  2. God vermaant de gelovige daarna om te wandelen in overeenstemming met de positie die hij al gekregen heeft.

Onze levenswandel is niet de voorwaarde om bij God te horen, maar het gevolg van het feit dat we bij Hem horen.

Ons karakter is niet de grond van onze positie, maar onze positie is de bron van ons nieuwe karakter.

 

Bijbels onderscheid tussen staat en toestand

In het Nieuwe Testament vinden we talloze teksten die elkaar op het eerste gezicht lijken tegen te spreken, maar die direct helder worden wanneer we letten op het verschil tussen staat en toestand:

Thema staat  toestand (vermaning)
Het licht “Gij zijt het licht der wereld” (Matthéüs 5:14) “Laat zo uw licht schijnen” (Matthéüs 5:16)
Heiliging “Eens voor altijd geheiligd” (Hebreeën 10:10) “De God des vredes heilige u geheel en al” (1 Thessalonicenzen 5:23)
Volmaaktheid “In eeuwigheid volmaakt” (Hebreeën 10:14) “Niet dat ik het reeds verkregen heb, maar ik jaag daarnaar” (Filippenzen 3:12)
Sterven met Christus “Der wet gedood door het lichaam van Christus” (Romeinen 7:4) “Doodt dan uw leden die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:5)

 

Leven vanuit een reeds geschonken positie

Als u niet weet dat u in Christus nú al een volmaakte positie inneemt, zult u steeds proberen uw eigen heil te bewerken om zelf Gods goedkeuring te verdienen. Dat leidt óf tot wettische hoogmoed óf tot diepe ontmoediging.

Gods opvoeding in ons leven, door de inwoning van de Heilige Geest, de tuchtiging van de Vader en de onderwijzing van het Woord,  heeft maar één doel: ons praktische leven (toestand) steeds meer gelijkvormig te maken aan de volmaakte positie (staat) die wij in Christus al bezitten.

U hoeft niet te werken náár een positie; u mag leven úit een positie die u al geschonken is.

De rode draad van de Bijbel: De zeven verbonden ontrafeld

Geen losse verzameling

De Bijbel is geen verzameling van losstaande verhalen en feiten, maar een ontvouwing van Gods Heilsplan met de mensheid. Een van de belangrijkste sleutels om deze rode draad te begrijpen, is kennis van zeven verbonden die God in de loop van de geschiedenis met mensen heeft gesloten.

In de Bijbel wordt zichtbaar hoe deze zeven verbonden de essentie vormen van de verhouding tussen God en de mens. Wie deze verbonden leert onderscheiden, ziet hoe Gods beloften zich stap voor stap ontvouwen en hoe elk verbond uiteindelijk heenwijst naar Jezus Christus.

De zeven Bijbelse verbonden
De zeven Bijbelse verbonden

Wat is een Bijbels verbond?

In Bijbelse zin is een verbond een heilig oordeel, toezegging of afspraak waarmee God Zich bindt aan de mensheid of aan een specifiek volk. Er is een onderscheid te maken tussen twee soorten verbonden:

Voorwaardelijke verbonden

Deze werken volgens het principe ”Indien gij zult… dan zal Ik..”. De zegen en de vervulling zijn afhankelijk van de gehoorzaamheid en de trouw van de mens. Het Mozaïsche Verbond bij de Sinaï is het enige voorwaardelijke verbond in de Bijbel.

Onvoorwaardelijke verbonden

Deze rusten uitsluitend op de toezegging van God, uitgedrukt in Zijn soevereine ”Ik zal”. Zelfs wanneer de mens faalt, blijft de belofte van God onveranderlijk van kracht. De overige zes verbonden dragen dit onvoorwaardelijke karakter.

De zeven Bijbelse verbonden in vogelvlucht

Het Adamitische Verbond (Genesis 3:14-19)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten direct na de zondeval in de hof van Eden.

Toen de eerste mens in gehoorzaamheid faalde en in zonde viel, maakte God de ingrijpende gevolgen voor de mensheid en de schepping bekend. Hoewel de mens onder de gevolgen van de zonde kwam te staan, legde God tegelijk de allereerste evangeliebelofte (de moederbelofte of het protoevangelie) in dit verbond vast

De belangrijkste elementen van het Adamitische verbond zijn:

De vloek over de slang: De satan wordt geoordeeld en er wordt een voortdurende vijandschap gesteld tussen zijn zaad en het Zaad van de vrouw.

De gevolgen voor de mens: Smarten bij zwangerschap en geboorte voor de vrouw, en zware, moeizame arbeid op de door de zonde vervloekte aardbodem voor de man.

Lichamelijke dood: De mens werd onderworpen aan de lichamelijke dood: “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren”.

De Messiaanse belofte: De belofte dat het Zaad van de vrouw uiteindelijk de kop van de slang zal verbrijzelen, hoewel dit gepaard zou gaan met het lijden (de hielverbrijzeling) van de Verlosser.

Het Noachitische Verbond (Genesis 8:20-9:27)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten na de wereldwijde zondvloed, toen Noach een offer bracht op de gereinigde aarde.

Nadat de mensheid in totale verdorvenheid was vervallen en door de zondvloed werd geoordeeld, sloot God een verbond met Noach, zijn nageslacht en alle levende wezens op aarde.

De kernpunten van het Noachitische verbond zijn:

Garantie tegen een nieuwe zondvloed: God beloofde dat het menselijk ras en de aarde nooit meer door de wateren van een zondvloed zouden worden uitgeroeid. De regenboog werd gegeven als een zichtbaar teken van deze trouw.

Bestendigheid van de natuurorde: De seizoenen, zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter zullen niet meer ophouden zolang de aarde bestaat.

Nieuwe stamvaders: De drie zonen van Noach (Sem, Cham en Jafeth) werden de stamvaders van de gehele mensheid na de zondvloed.

Instelling van de menselijke overheid: God stelde de menselijke overheid in met het recht en de plicht om het kwaad te bestraffen en de menselijke samenleving te beschermen.

Het Abrahamitische Verbond (Genesis 12:1-3; 15:1-18; 17:1-8)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten bij de roeping van Abram uit Ur der Chaldeeën en bevestigd bij het verbondsoffer in Genesis 15.

Het Abrahamitische verbond is een absoluut sleutelverbond in de heilsgeschiedenis. God riep één man uit de heidense volkerenwereld om een bijzonder volk te vormen dat in een speciale verbondsrelatie tot Hem zou staan.

Dit verbond berust op zeven goddelijke toezeggingen (“Ik zal”):

Een natuurlijk nageslacht en volk: Het ontstaan van het volk Israël uit de lendenen van Abraham, Izak en Jakob.

Eigendomsrecht op het land: De onvoorwaardelijke toewijzing van het land Kanaän aan het Zaad van Abraham tot een eeuwige bezitting.

Geestelijk nageslacht en verlossing: Het verbond bevat de belofte van een hemels nageslacht dat deelt in de rechtvaardiging door het geloof.

Goddelijke bescherming: God beloofde degenen te zegenen die Abraham zegenen, en degene te vervloeken die hem vervloekt.

Universele zegen: De belofte dat in Abrahams Zaad ” dat is Christus” alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden.

Genesis 15 schetst op indrukwekkende wijze het onvoorwaardelijke karakter: terwijl Abraham in een diepe slaap was gevallen, ging God Zelf (als een rokende oven en een vurige fakkel) tussen de offerstukken door. God bindt de vervulling uitsluitend aan Zijn eigen trouw.

Het Mozaïsche Verbond (Exodus 19-30)

Karakter: Voorwaardelijk

Context: Gesloten bij de berg Sinaï, ongeveer 2500 jaar na de schepping en 430 jaar na het verbond met Abraham.

Het Mozaïsche verbond is het enige voorwaardelijke verbond in de Schrift. God gaf de Wet aan het volk Israël nadat Hij hen uit Egypte had verlost. Het verbond functioneerde op de strakke regel: “Indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen… dan zult gij Mijn eigendom zijn”.

Het Mozaïsche verbond omvatte een drievoudige structuur:

De Geboden (Exodus 20:1-17): De zedelijke wet, neergeschreven op stenen tafelen.De Rechten** (Exodus 21:1-24:11): De burgerlijke wetten voor de ordening van de Israëlitische maatschappij.

De Inzettingen (Exodus 24:12-31:18): De godsdienstige wetten voor de tabernakel, het priesterschap en de offerdiensten.

Het doel van het Mozaïsche verbond was niet om de mens te rechtvaardigen ”uit de werken der wet wordt immers geen vlees gerechtvaardigd (Romeinen 3:20) ” maar om de zonde te openbaren, de mens zijn onvermogen te tonen en te dienen als een tuchtmeester tot Christus.

Het Diaspora-verbond / Palestijns Verbond (Deuteronomium 30:1-9)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Door Mozes aan Israël bekendgemaakt in de vlakten van Moab, vlak voor de intocht in Kanaän.

Het Diaspora-verbond (afgeleid van het Griekse woord voor verstrooiing) vult het Mozaïsche verbond aan en heeft betrekking op de toekomst van Israël in relatie tot het beloofde land.

De belangrijkste elementen van dit verbond zijn:

Voorzegging van de verstrooiing: De profetische aankondiging dat Israël wegens ontrouw uit het land zou worden verdreven en wereldwijd verstrooid.

Toekomstige bekering: De belofte dat het volk in de verstrooiing de Heere weer zou zoeken met hun hele hart.

Nationale terugkeer: De garantie dat God Zijn volk uit alle naties zal her verzamelen en hen zal terugbrengen naar het land dat hun vaderen bezaten.

Inwendige besnijdenis van het hart: God zal het hart van het volk en hun nageslacht besnijden om Hem lief te hebben, waarna de vervloekingen zullen vallen op hun vijanden.

Het Davidische Verbond (2 Samuel 7:5-29)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten met koning David toen hij het voornemen uitsprak om een tempel voor God te bouwen.

Toen David een huis voor God wilde bouwen, maakte de Heere bekend dat Hij een huis voor David zou bouwen: een koninklijk huis, een ononderbroken dynastie en een eeuwig koninkrijk.

De kernvoorwaarden van het Davidische verbond omvatten:

Een eeuwig huis (dynastie): Davids nageslacht zal nooit worden uitgeroeid.

Een eeuwige troon (gezag): Het koninklijk gezag blijft rechtmatig bij het huis van David behoren.

Een eeuwig koninkrijk: Het geografische en nationale gezagsgebied van David blijft voor eeuwig vaststaan.

Tuchtiging bij zonde: Wanneer individuele koningen uit het nageslacht van David zouden zondigen, zou God hen tuchtigen met menselijke slagen, maar Zijn goedertierenheid zou nooit van het koningshuis wijken.

Dit verbond vindt zijn volkomen en uiteindelijke vervulling in de Here Jezus Christus, de Zoon van David, Die geboren werd uit het geslacht van David en aan Wie de engel Gabriel de troon van Zijn vader David toezegde (Lukas 1:31-33).

Het Nieuwe Verbond (Jeremia 31:31-34; Hebreeën 8:6-13)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Profetisch aangekondigd door Jeremia en bekrachtigd door het offer van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha.

Het Nieuwe Verbond is het sluitstuk en de kroon op Gods verbondswerk. Het is gefundeerd op het volbrachte werk en het bloed van Christus (Matth. 26:28).

De kenmerken van het nieuwe Verbond zijn:

Beloofd aan Israël en Juda: Profetisch is het Nieuwe Verbond toegezegd aan het herenigde Huis van Israël (10 stammen) en Huis van Juda (2 stammen).

Vernieuwing van het binnenste: De wet wordt niet meer op stenen tafelen geschreven, maar door de Heilige Geest in het hart en het binnenste van de gelovige gegeven.

Volkomen vergeving: De zonden en ongerechtigheden worden nooit meer gedacht.

Intieme kennis van God: Allen zullen de Heere kennen, van de kleinste tot de grootste.

Hoewel het Nieuwe Verbond in profetisch opzicht zijn nationale vervulling gaat krijgen bij de bekering van Israël, hebben gelovigen in de huidige genadetijd (de Gemeente) nu al volkomen deel aan de geestelijke zegeningen van dit verbond.

Tabel van de Zeven Verbonden ( link hiervoor heb je Excel nodig)

Christus als het Middelpunt en de Vervulling van alle verbonden

Het meest indrukwekkende gegeven van de Bijbelse verbonden leer is dat de zeven verbonden niet op zichzelf staan, maar allemaal samenkomen in de Persoon en het werk van Jezus Christus.

Christus is de unieke Schakel en Vervuller van elk afzonderlijk verbond:

In het Adamitische Verbond: Hij is het beloofde “Zaad van de vrouw* dat de kop van de satan heeft verbrijzeld aan het kruis.

In het Noachitische Verbond: Als mens kwam Hij onder de levensvoorwaarden van het menselijk geslacht op aarde.

In het Abrahamitische Verbond: Hij is het unieke *”Zaad van Abraham”* (Galaten 3:16) aan Wie al de beloften zijn toegezegd en door Wie de heidenen gezegend worden.

In het Mozaïsche Verbond: Hij heeft de Wet volkomen vervuld en droeg de vloek van de Wet aan het kruis om ons van de vloek te verlossen (Galaten 3:13).

In het Diaspora-verbond: Hij is de Goede Herder Die Zijn verstrooide schapen zal terugbrengen en verzamelen in het land der belofte.

In het Davidische Verbond: Hij is de Erfgenaam, de koninklijke Zoon van David Die in de toekomst zal heersen op de troon van David in Jeruzalem.

In het Nieuwe Verbond: Hij is de Borg, Middelaar en de grote Hogepriester Die het Nieuwe Verbond heeft bekrachtigd met Zijn eigen dierbaar bloed.

Conclusie: Een onwankelbaar fundament van Gods trouw

Studie van de zeven verbonden laat zien dat God een God van orde, trouw en onveranderlijke beloften is. Waar de mens onder elke omstandigheid faalt vanaf de hof van Eden tot onder de Wet van Sinaï blijft God trouw aan Zijn verbondsbeloften.

Voor de gelovige in onze tijd bieden de verbonden een diepe rust. Omdat ons behoud en onze gemeenschap met God verankerd liggen in het Nieuwe Verbond en het volbrachte werk van Jezus Christus, rust ons geloof niet op onze eigen wankele prestaties, maar op het onwankelbare “Ik zal” van een getrouw God.

Kaleb, Edom en Juda: afkomst, geloof en Gods genade

Genade trekt andere grenzen dan de mens

Wie was Kaleb?

Voor veel Bijbellezers ligt  het antwoord voor de hand. Kaleb was die trouwe verspieder uit de stam van Juda die samen met Jozua geloofde dat Israël het beloofde land kon innemen.

Dat is waar.

Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd.

Want wanneer de Schrift Kaleb introduceert, staat er iets opvallends:

“Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua te Gilgal; en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem…” (Jozua 14:6, STV)

Waarom vermeldt de Schrift nadrukkelijk dat hij de Keneziet was?

Dat is geen betekenisloos detail. En zulke details worden heel makkelijk overgeslagen als we onze eigen schema’s al klaar hebben liggen.

En daar wordt het interessant.

GEnade trekt andere grenzen dan de mens
Kaleb Edom en Juda

Kaleb wordt tot Juda gerekend

Wanneer Mozes de verspieders uitzendt, wordt Kaleb zonder omwegen met Juda verbonden:

“Van den stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.” (Numeri 13:6, STV)

Daar staat het.

Kaleb vertegenwoordigt Juda.

Later ontvangt hij bovendien een erfdeel binnen Juda. Niet zomaar ergens aan de rand, maar in Hebron.

Toch blijft de Schrift hem “de zoon van Jefunne, de Keneziet” noemen.

Waarom?

Omdat natuurlijke afkomst en de plaats die iemand in Gods handelen ontvangt blijkbaar niet zo simpel samenvallen als wij soms geneigd zijn te denken.

Dat gegeven zou ons voorzichtig moeten maken met een geloofsdenken waarin afkomst allesbepalend wordt.

 

Het doorslaggevende kenmerk van Kaleb

Wat benadrukt de Schrift over Kaleb?

Niet zijn bloedlijn.

Niet zijn stamboom.

Niet zijn genetische zuiverheid.

Maar zijn geloof.

Mozes zegt over hem:

“Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.” (Numeri 14:24, STV)

Dáár ligt de nadruk.

Hij volhardde de HEERE na te volgen.

Tien verspieders zagen reuzen.

Kaleb zag de belofte van God.

Tien verspieders rekenden met menselijke mogelijkheden.

Kaleb rekende met het Woord van God.

En dát maakte hét verschil.

Dat is ook vandaag nog een pijnlijke spiegel voor religie. Want religie vraagt graag:

Bij welke groep/kerk hoor je? Wat is je afkomst? Welke traditie vertegenwoordig je? Welk etiket draag je?

God daarentegen vraagt naar geloof in Zijn Woord.

 

Vijfentachtig jaar en nog steeds dezelfde belofte

Vijfenveertig jaar later staat Kaleb opnieuw voor Jozua.

Hij is inmiddels vijfentachtig.

Je zou verwachten dat hij zou zeggen: “Ik heb mijn portie wel gedaan. Laat de jongere generatie die reuzen maar bestrijden.”

Maar Kaleb zegt iets heel anders:

“En nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud. Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is mijn kracht nu, tot den oorlog, en om uit en in te gaan.” (Jozua 14:10-11, STV)

En dan vraagt hij om die berg.

Niet om een rustig stukje land.

Niet om een veilige plaats waar de strijd al voorbij is.

Hij vraagt expliciet het gebied waar de Enakieten wonen.

Waarom?

Omdat God het beloofd had.

Dát is Bijbels geloof. Niet ontkennen dat er reuzen zijn, maar weigeren de reuzen groter te maken dan Gods belofte.

 

Een Keneziet krijgt Hebron

Dan gebeurt iets opmerkelijks:

“Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.” (Jozua 14:13, STV)

Hebron!

Een plaats die sterk verbonden is met de geschiedenis van Abraham en de aartsvaders. Later zou ook David daar regeren.

En Hebron wordt aan Kaleb gegeven.

De Schrift verklaart zelf waarom:

“Daarom werd Hebron Kalebs, des zoons van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel, tot op dezen dag, omdat hij volhard had den HEERE, den God Israëls, na te volgen.” (Jozua 14:14, STV)

Lees vooral het woord omdat.

Waarom ontving Kaleb Hebron?

Omdat hij de juiste papieren had?

Omdat hij zich op zijn natuurlijke afkomst kon beroepen?

Nee.

“Omdat hij volhard had den HEERE, den God Israëls, na te volgen.” (STV)

Dat is de uitleg die de Schrift zelf geeft.

 

Ruth past niet in een hokje

Hetzelfde patroon zien we later terug  bij Ruth.

Ruth was geen geboren Israëlitische. Zij was een Moabitische.

Maar luister naar haar belijdenis:

“Want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.” (Ruth 1:16, STV)

En waar vinden we deze Moabitische later terug?

In de geslachtslijn van David.

En uiteindelijk in het geslachtsregister van de Here Jezus Christus.

Dat is geen foutje in Gods administratie.

Dat is Gods handelen.

 

En dan is daar Rachab

Hetzelfde geldt voor Rachab.

Een vrouw uit Jericho. Menselijk gesproken stond zij aan de verkeerde kant van de muur.

Maar zij had gehoord van de God van Israël en geloofde.

Haar belijdenis is indrukwekkend:

“Want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel en beneden op de aarde.” (Jozua 2:11, STV)

Rachab wordt gespaard.

Meer nog: zij wordt opgenomen in Israël.

En ook haar naam vinden we later terug in de lijn naar Christus.

Kaleb. Rachab. Ruth.

Zie je het patroon?

Gods genade laat zich niet opsluiten in de grenzen die mensen trekken.

 

Afkomst is niet hetzelfde als geloof

Hier begint het toch ongemakkelijk te worden.

Want de mens houdt van zichtbare zekerheid.

Afkomst.

Religieuze traditie.

Lidmaatschap.

Instituut.

Historische rechten.

Maar Johannes de Doper waarschuwde al:

“En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.” (Mattheüs 3:9, STV)

Dat is nogal wat.

“Wij hebben Abraham tot een vader.”

Het klinkt indrukwekkend.

Maar Johannes zegt feitelijk:

Denk niet dat natuurlijke afstamming u voor God automatisch een geestelijke positie geeft.

Paulus zegt hetzelfde:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” (Romeinen 9:6, STV)

Dat vers alleen al zou voldoende moeten zijn om iedere simplistische gelijkstelling tussen natuurlijke afstamming en geestelijke positie te voorkomen

Niet allen die uit Israël voortkomen, zijn daarom in de Bijbelse betekenis Israël.

Dat zegt Paulus.

Niet wij.

 

Abraham zelf werd gerechtvaardigd door geloof

En waarop kon Abraham zich beroepen?

Paulus is glashelder:

“Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:3, STV)

Niet:

Abraham had de juiste religieuze afkomst.

Abraham geloofde God.

Dat is fundamenteel.

En daarom kan Paulus later schrijven:

“Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.” (Galaten 3:7, STV)

Daarmee wordt natuurlijke afstamming niet ontkend. Gods beloften en handelen met Israël verdwijnen evenmin.

Maar natuurlijke afkomst wordt wél van de troon gestoten waarop religie haar zo graag zet.

 

Geen vrijbrief voor vervangingsleer

Hier moet onmiddellijk een andere fout worden getackled.

Sommigen horen dit en concluderen:

“Zie je wel, Israël heeft afgedaan en de kerk heeft Israël vervangen.”

Nee!

Ook dat is een menselijk schema dat veel te makkelijk over de Schrift wordt gelegd.

Paulus schrijft over Israël:

“Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre…” (Romeinen 11:1, STV)

En iets verder:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29, STV)

God heeft Zijn beloften aan Israël niet vergeten.

Maar dat betekent nog niet dat natuurlijke afstamming op zichzelf redding geeft.

Die twee waarheden moeten naast elkaar blijven staan.

Israël heeft een eigen plaats in Gods voornemen.

En niemand wordt behouden buiten Christus om.

 

De Messias laat Zich niet nationaliseren

Daarom is het ook veel te beperkt om de Here Jezus Christus slechts als een nationale Messias voor één volk voor te stellen.

Ja, Hij kwam naar het vlees uit Israël.

Ja, Hij is de Zoon van David.

Maar Zijn impact reikt oneindig verder.

Petrus zegt:

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12, STV)

Onder de mensen.

Niet slechts onder één etnische groep.

Christus is niet het bezit van een religieus systeem.

Hij is de Zaligmaker.

 

De muur tussen Jood en heiden

Dat wordt bijzonder duidelijk in Efeze.

Paulus schrijft aan gelovigen uit de heidenen dat zij vroeger:

“…vervreemd waren van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.” (Efeze 2:12, STV)

Maar dan volgen twee geweldige woorden:

“Maar nu…”

“Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.” (Efeze 2:13, STV)

Hoe?

Niet door natuurlijke geboorte.

Niet door zich Joods te laten verklaren.

Niet door menselijke religieuze prestaties.

Door het bloed van Christus.

En vervolgens:

“Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende…” (Efeze 2:14, STV)

Dat is een beschrijving van de Gemeente.

Niet de overwinning van de heiden over Israël.

Niet de overwinning van Israël over de heiden.

Maar een nieuwe eenheid in Christus.

 

Wij maken Gods genade graag smaller

En daar raken we misschien wel het werkelijke probleem.

De mens heeft een merkwaardige neiging Gods genade smaller te maken dan God haar heeft geopenbaard.

Wij trekken grenzen.

God zegt: in Christus.

Wij zeggen: afkomst.

God zegt: geloof.

Wij zeggen: traditie.

God zegt: Mijn Woord.

Wij zeggen: instituut.

En vervolgens verdedigen we onze grenzen alsof God verplicht is Zich eraan te houden.

Kaleb staat als een levende aanklacht daartegen.

De Keneziet staat midden tussen Juda.

Hij vertegenwoordigt Juda.

Hij ontvangt Hebron.

En de Schrift vertelt ons waarom:

“…omdat hij volhard had den HEERE, den God Israëls, na te volgen.” (Jozua 14:14, STV)

Niet omdat mensen hem een plaats gaven.

God gaf hem die plaats.

 

Het gaat uiteindelijk allemaal om Christus

Daarom brengt Paulus ons uiteindelijk niet bij afstamming, een kerkgenootschap of een menselijke organisatie.

Hij brengt ons bij Christus.

“Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.” (Efeze 3:17-19, STV)

De liefde van Christus gaat de kennis te boven.

Daar past geen menselijke meetlat naast.

Kaleb laat zien dat God niet onder de indruk is van de grenzen die wij trekken.

Rachab laat het zien.

Ruth laat het zien.

Abraham laat het zien.

En het Evangelie verkondigt het uiteindelijk aan de gehele wereld.

De vraag is daarom niet:

Van wie stam je af?

Of zoals ze in Katwijk zeggen:

Van wies be-jij d’r ien?

Ook niet:

Tot welke kerk hoor jij?

De belangrijke vraag is:

Wat doe je met Gods Woord en met de Christus Die daarin geopenbaard wordt?

Want uiteindelijk is er maar één grond waarop een zondaar voor God kan bestaan.

Niet afkomst.

Niet religie.

Niet traditie.

Niet een kerkelijk etiket.

Christus alleen.

En wie Hem gelooft, ontdekt misschien hetzelfde als Kaleb:

Gods beloften zijn veel groter dan de grenzen die mensen eromheen hebben gebouwd.

 

Geverifieerd door MonsterInsights