Jezus is JHWH: Bijbelse bewijzen uit Oude en Nieuwe Testament

Daarom is de Here Jezus Christus echt JHWH

Van het één rol je makkelijk in het ander.. Na mijn video en blog over de godheid van de Here Jezus Christus kreeg ik een reactie op mijn youtube kanaal onder die betreffende video.

Van een unitarier.

“Wat is dat Jaap, een unitariër?” Hoor ik iemand denken. Dat is iemand die de Godheid van de Here Jezus Christus ontkent en de nadruk legt op Bijbelteksten die gaan over de menswording en het mens zijn van de Here Jezus Christus tijdens Zijn aardse omwandeling.

Bijbelteksten daarentegen die gaan over Zijn God-gelijk zijn,  Zijn heerlijkheid, de ultieme verhoging die Hij ontvangen heeft ter gelegenheid van Zijn opstanding, deze teksten moeten in deze gedachtengang eerst wel ontkracht en weggeredeneerd worden. Omdat ik daar helemaal geen trek in heb en bovendien geen tijd voor heb, noch energie, wijd ik er nog maar een blogartikel aan in plaats van te vervallen in een woordenstrijd met herhalingen van zetten in de comments.

Er wordt met enige regelmaat beweerd dat de Here Jezus Christus volgens de Bijbel wel de Zoon van God is, maar niet werkelijk God. Jezus zou een menselijke Messias zijn, door God verheven en gezonden, maar Zelf niet delen in de goddelijke identiteit van JHWH.

Daarbij worden meestal dezelfde teksten aangevoerd: Jezus bidt tot Zijn Vader, Hij gehoorzaamt Zijn Vader, Hij zegt dat de Vader groter is dan Hij, Hij kent tijdens Zijn vernedering de dag en het uur niet en uiteindelijk sterft Hij aan het kruis.

Dat zijn allemaal Bijbelse gegevens.

Maar het probleem ontstaat wanneer men daar stopt.

Want dezelfde Schrift die de werkelijke mensheid van Christus leert, past in het Nieuwe Testament titels, eigenschappen, werken en eer die in het Oude Testament uitdrukkelijk aan JHWH toebehoren rechtstreeks toe op de Here Jezus Christus.

Daarom moet de discussie over de godheid van Jezus niet draaien om één los bewijsvers.

De veel belangrijkere vraag is:

Hoeveel eigenschappen van JHWH moeten op Jezus Christus worden toegepast voordat wij de Schrift toestaan ons te vertellen Wie Hij werkelijk is?

 

dezelfde God

De Bijbel leert dat er maar één God is

We moeten beginnen waar de Schrift begint:

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!”
Deuteronomium 6:4 (STV)

Het Bijbelse geloof kent geen verzameling goden.

Er is één God.

De godheid van de Here Jezus Christus betekent daarom niet dat naast JHWH ineens een tweede god verschijnt. De werkelijke vraag is:

Wie behoort volgens de Schrift tot de identiteit van die ene God?

Het Oude Testament laat al opmerkelijke lijnen zien waarin God Zich openbaart en er tegelijk onderscheid zichtbaar wordt. Het Nieuwe Testament maakt vervolgens duidelijk Wie de Zoon is.

 

JHWH is de Eerste en de Laatste: Jezus is de Eerste en de Laatste

JHWH zegt:

“Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.”
Jesaja 44:6 (STV)

Deze woorden zijn buitengewoon exclusief.

JHWH zegt niet alleen dat Hij de Eerste en de Laatste is. Hij verbindt deze titel direct met Zijn unieke Godheid:

“Behalve Mij is er geen God.”

Maar in Openbaring zegt de Here Jezus Christus:

“Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.”
Openbaring 1:17-18 (STV)

Wie was dood en leeft weer?

Onmiskenbaar de Here Jezus Christus.

De titel waarmee JHWH in Jesaja Zijn unieke Godheid proclameert, wordt dus door Christus op Zichzelf toegepast.

Wie wil volhouden dat Jezus niet deelt in de identiteit van JHWH, moet dit verklaren.

Niet wegverklaren.

de Godheid van Jezus Christus
Jezus is JHWH

JHWH is de enige Heiland: Jezus Christus is Heiland

JHWH zegt:

“Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.”
Jesaja 43:11 (STV)

Dat is opnieuw exclusieve taal.

Buiten JHWH bestaat geen Heiland.

Maar bij de geboorte van Christus wordt gezegd:

“Dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.”
Lukas 2:11 (STV)

Paulus spreekt bovendien over:

“onzen groten God en Zaligmaker Jezus Christus.”
Titus 2:13 (STV)

En Petrus over:

“onzen God en Zaligmaker Jezus Christus.”
2 Petrus 1:1 (STV)

Hoe kan Jezus de Zaligmaker zijn als JHWH zegt:

“Er is geen Heiland behalve Mij”?

Wanneer Jezus buiten de goddelijke identiteit van JHWH zou staan, ontstaat hier een ernstig probleem.

Wanneer Christus deelt in die identiteit, valt het op zijn plaats.

 

JHWH alleen is Schepper: alle dingen zijn door Jezus geschapen

Een van de krachtigste teksten vinden we in Jesaja:

“Ik ben de HEERE, Die alles doe, Die de hemelen uitbreid, Ik alleen, en Die de aarde uitspan door Mijzelven.”
Jesaja 44:24 (STV)

Let vooral op:

“Ik alleen.”

En:

“door Mijzelven.”

Johannes schrijft echter over het Woord:

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
Johannes 1:3 (STV)

Paulus schrijft over Christus:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn…”
Kolossenzen 1:16 (STV)

Hebreeën spreekt tot de Zoon:

“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)

Die laatste woorden komen uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.

We krijgen dus:

JHWH: Ik heb alleen geschapen.

Johannes: Alles is door Christus gemaakt.

Paulus: Alle dingen zijn door Hem geschapen.

Hebreeën: De hemelen zijn werken van Zijn handen.

Als Christus Zelf een geschapen wezen zou zijn, ontstaat bovendien een fundamenteel probleem met Johannes 1:3.

Alles wat gemaakt is, is door het Woord gemaakt.

Als het Woord Zelf gemaakt zou zijn, zou Hij behoren tot de categorie dingen waarvan Johannes zegt dat zij juist door Hem gemaakt zijn.

De Schrift plaatst Christus niet aan de kant van het geschapene.

Zij plaatst Hem aan de kant van de Schepper.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

JHWH is de Herder: Jezus is de goede Herder

David zegt:

“De HEERE is mijn Herder…”
Psalm 23:1 (STV)

Jesaja zegt over JHWH:

“Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder…”
Jesaja 40:11 (STV)

En in Ezechiël 34, nadat de menselijke herders van Israël hebben gefaald, zegt God:

“Zie, Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.”
Ezechiël 34:11 (STV)

God Zelf zal naar Zijn schapen omzien.

Dan verschijnt de Here Jezus en zegt:

“Ik ben de goede Herder.”
Johannes 10:11 (STV)

Dit is niet zomaar een vriendelijke metafoor.

De goede Herder uit Johannes staat in de oudtestamentische lijn waarin JHWH Zelf de Herder van Zijn volk is.

 

JHWH is de Rots: Christus is de Rots

Mozes zegt over God:

“Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is…”
Deuteronomium 32:4 (STV)

Paulus schrijft:

“En de steenrots was Christus.”
1 Korinthe 10:4 (STV)

Nog scherper wordt het in Jesaja 8:

“Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen…”
Jesaja 8:13 (STV)

En diezelfde HEERE zal zijn:

“tot een Steen des aanstoots, en tot een Rotssteen der struikeling.”
Jesaja 8:14 (STV)

Petrus past deze passage vervolgens op Christus toe:

“Een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis.”
1 Petrus 2:8 (STV)

Wie is de Steen in Jesaja?

JHWH der heirscharen.

Wie is de Steen volgens Petrus?

Christus.

Wanneer zulke verbindingen zich blijven opstapelen, wordt “toeval” een steeds ongeloofwaardiger verklaring.

 

JHWH vergeeft zonden: Jezus vergeeft zonden

JHWH zegt:

“Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil…”
Jesaja 43:25 (STV)

Psalm 103 zegt over de HEERE:

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft…”
Psalm 103:3 (STV)

Wanneer Jezus tegen de geraakte zegt:

“Zoon, uw zonden zijn u vergeven.”
Markus 2:5 (STV)

reageren de schriftgeleerden:

“Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?”
Markus 2:7 (STV)

Jezus antwoordt niet:

“Jullie begrijpen het verkeerd; Ik vergeef helemaal geen zonden.”

Integendeel.

Hij geneest de man juist om zichtbaar te maken:

“dat de Zoon des mensen macht heeft, de zonden te vergeven op de aarde…”
Markus 2:10 (STV)

De schriftgeleerden begrepen heel goed wat er op het spel stond.

 

JHWH geeft leven: Jezus geeft eeuwig leven

JHWH zegt:

“Ik dood en maak levend…”
Deuteronomium 32:39 (STV)

Jezus zegt:

“Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil.”
Johannes 5:21 (STV)

Let vooral op:

“die Hij wil.”

En over Zijn schapen zegt Christus:

“En Ik geef hun het eeuwige leven…”
Johannes 10:28 (STV)

Een profeet kan de weg naar het eeuwige leven verkondigen.

Een apostel kan het Evangelie prediken.

Maar Jezus zegt:

Ik geef hun eeuwig leven.

 

JHWH is Rechter: Jezus Christus oordeelt de wereld

Abraham noemt God:

“de Rechter der ganse aarde.”
Genesis 18:25 (STV)

Jezus zegt:

“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven.”
Johannes 5:22 (STV)

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus…”
2 Korinthe 5:10 (STV)

De mensheid verschijnt uiteindelijk voor Christus.

Waarom?

Jezus Zelf vervolgt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren.”
Johannes 5:23 (STV)

Gelijk zij de Vader eren

Niet minder.

Niet slechts als vertegenwoordiger.

Niet als een bijzonder schepsel.

De Zoon ontvangt eer gelijk de Vader.

Als Christus slechts een verheven schepsel zou zijn, wordt dit geen oplossing maar een probleem. De God van Israël staat immers nergens toe dat een schepsel dezelfde eer ontvangt als Hijzelf.

 

JHWH onderzoekt hart en nieren: Jezus doet hetzelfde

JHWH zegt:

“Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren…”
Jeremia 17:10 (STV)

De Here Jezus zegt:

“En al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek…”
Openbaring 2:23 (STV)

De overeenkomst is moeilijk te missen.

JHWH:

Ik doorgrond hart en nieren

Christus:

Ik onderzoek nieren en harten

De goddelijke kennis van het innerlijk van mensen wordt rechtstreeks aan Christus toegeschreven.

 

Voor JHWH buigt iedere knie: voor Jezus buigt iedere knie

Jesaja 45 is uitgesproken monotheïstisch.

JHWH zegt:

“Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.”
Jesaja 45:22 (STV)

Vervolgens:

“Dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.”
Jesaja 45:23 (STV)

Paulus schrijft:

“Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie…”
Filippenzen 2:10 (STV)

En:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij…”
Filippenzen 2:11 (STV)

Jesaja:

Iedere knie buigt voor JHWH

Paulus:

Iedere knie buigt voor Jezus

Paulus breekt het monotheïsme van Jesaja niet af.

Hij neemt Christus op binnen de identiteit van de ene God.

 

Wie JHWH aanroept wordt behouden: roep de Here Jezus aan

Joël schrijft:

“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
Joël 2:32 (STV)

De Hebreeuwse tekst spreekt over JHWH.

Paulus citeert:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”
Romeinen 10:13 (STV)

Wie is de Heere in de onmiddellijke context?

“Indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus…”
Romeinen 10:9 (STV)

Een oudtestamentische tekst over het aanroepen van JHWH wordt toegepast in een gedeelte waarin Jezus als Heere wordt beleden.

Dat is geen vierde-eeuwse kerkelijke uitvinding.

Dat staat gewoon in Romeinen.

 

De weg wordt bereid voor JHWH: Johannes bereidt de weg voor Jezus

Jesaja schrijft:

“Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN…”
Jesaja 40:3 (STV)

Mattheüs past deze profetie toe op Johannes de Doper.

Voor Wie maakt Johannes de weg gereed?

Voor Jezus Christus.

Jesaja zegt:

Bereid de weg van JHWH

De Evangeliën zeggen:

Johannes bereidt de weg voor Jezus

Hetzelfde zien we bij Maleachi:

“Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal…”
Maleachi 3:1 (STV)

Johannes gaat voor Christus uit.

Opnieuw wordt een verwachting rond de komst van JHWH vervuld in de komst van de Here Jezus.

 

Jesaja zag JHWH: Johannes zegt dat hij Christus’ heerlijkheid zag

Jesaja ziet de HEERE:

“Mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.”
Jesaja 6:5 (STV)

Johannes verwijst naar Jesaja’s woorden en schrijft:

“Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.”
Johannes 12:41 (STV)

De context in Johannes gaat over Christus.

Jesaja zag de heerlijkheid van JHWH.

Johannes zegt dat Jesaja Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.

Wie iedere identificatie tussen Jezus en JHWH categorisch afwijst, krijgt hier opnieuw iets uit te leggen.

 

JHWH geeft Zijn heerlijkheid aan geen ander: Jezus bezat die heerlijkheid vóór de wereld bestond

JHWH zegt:

“Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven…”
Jesaja 42:8 (STV)

Maar Jezus bidt:

“En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.”
Johannes 17:5 (STV)

Hoe kan iemand die uitsluitend een menselijke Messias is heerlijkheid bij de Vader hebben voordat de wereld bestond?

Niet alleen vóór Bethlehem.

Niet alleen vóór Abraham.

Maar vóór de wereld.

Dat sluit precies aan bij Johannes 1:

“In den beginne was het Woord…”
Johannes 1:1 (STV)

Het Woord begon daar niet te bestaan.

Het was.

 

JHWH komt op de wolken: Jezus komt op de wolken

Jesaja schrijft:

“Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk…”
Jesaja 19:1 (STV)

Daniël ziet:

“er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon…”
Daniël 7:13 (STV)

Deze Mensenzoon ontvangt eeuwige heerschappij.

Tijdens Zijn verhoor zegt Jezus:

“Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.”
Mattheüs 26:64 (STV)

Kajafas reageert:

“Hij heeft God gelasterd…”
Mattheüs 26:65 (STV)

Waarom zo’n reactie wanneer Jezus alleen maar zou hebben verklaard dat Hij een menselijke Messias is?

Omdat Kajafas de verwijzing begreep.

De Here Jezus identificeert Zich met de hemelse Mensenzoon uit Daniël 7, Die eeuwige heerschappij ontvangt en met de wolken des hemels komt.

 

Hebreeën 1: wordt Jezus rechtstreeks God genoemd?

Er wordt soms zonder omwegen beweerd:

“Jezus wordt nergens God genoemd.”

Maar dan ligt Hebreeën 1 behoorlijk dwars.

Over de Zoon staat:

“Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid…”
Hebreeën 1:8 (STV)

Wie wordt aangesproken?

De Zoon.

Hoe wordt Hij aangesproken?

“O God.”

En vervolgens:

“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)

Deze woorden zijn afkomstig uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.

Hebreeën past ze op de Zoon toe.

Binnen één hoofdstuk wordt Christus:

God genoemd.

Heere genoemd.

Als Schepper beschreven.

Boven de engelen geplaatst.

En vervolgens lezen we:

“En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.”
Hebreeën 1:6 (STV)

Daarom wordt de vraag:

“Waar staat eigenlijk dat Jezus God is?”

een beetje bleachelijk zolang Hebreeën 1 gewoon in onze Bijbel staat.

 

Maar Jezus bad toch tot God?

Zeker.

Jezus gehoorzaamde de Vader.

Hij had honger.

Hij werd moe.

Hij leed.

Hij werd verzocht.

Hij stierf.

Dat bewijst iets buitengewoon belangrijks:

Hij was werkelijk mens.

Maar waarom zou Zijn mensheid Zijn godheid uitsluiten?

Johannes schrijft:

“En het Woord is vlees geworden…”
Johannes 1:14 (STV)

Maar dezelfde Johannes had enkele verzen eerder geschreven:

“En het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)

Hier gaat het in veel redeneringen mis.

Alle teksten over Christus’ mensheid worden letterlijk genomen.

Terecht.

Maar wanneer Hij God genoemd wordt, als Schepper wordt beschreven, eeuwige heerlijkheid bezit, JHWH-teksten op Hem worden toegepast of Hij goddelijke eer ontvangt, moet de tekst ineens worden voorzien van verklaringen waarom er niet zou staan wat er staat.

Dan moeten we ons afvragen:

Zijn we echt bezig onze leer aan de Schrift te onderwerpen, of zijn we bezig de Schrift aan onze leer te onderwerpen?

De Bijbelse oplossing laat beide gegevens gewoon staan:

Het Woord was God.

En:

Het Woord is vlees geworden.

 

Het opvallende manco van het unitarisme

Hier komt voor mij het fundamentele probleem van het unitarisme scherp naar voren.

Het unitarisme kan doorgaans vrij uitvoerig uitleggen waarom de Here Jezus Christus bidt tot de Vader, Zich aan Hem onderwerpt, gehoorzaam is, lijdt en als mens beperkingen kent.

Dat gedeelte van de Schrift krijgt volop aandacht.

Maar wanneer dezelfde Schrift spreekt over Christus als Degene Die God gelijk is, goddelijke heerlijkheid bezit, alle dingen schept, zonden vergeeft, leven geeft, de wereld oordeelt, dezelfde eer als de Vader ontvangt en oudtestamentische JHWH-teksten op Zich toegepast krijgt, wordt de uitleg opvallend minder vanzelfsprekend.

Dan moet vrijwel iedere tekst worden voorzien van een alternatieve betekenis.

Dan betekent “God” ineens iets anders.

“De Eerste en de Laatste” zou anders bedoeld zijn.

Scheppen zou slechts gedelegeerd scheppen betekenen.

Goddelijke eer zou slechts vertegenwoordigde eer zijn.

Het buigen van iedere knie zou niets zeggen over goddelijke identiteit.

Het aanroepen van de Naam van de Here zou zonder probleem op een niet-goddelijke Messias kunnen worden toegepast.

En wanneer de Vader tot de Zoon zegt:

“Uw troon, o God…”
Hebreeën 1:8 (STV)

moet ook dat dan iets anders betekenen dan wat de woorden zeggen.

Dat is geen kleine kanttekening aan de rand van de discussie.

Het is een structureel probleem.

Een leer over Christus moet niet alleen kunnen verklaren waarom Hij werkelijk mens is.

Zij moet ook kunnen verklaren waarom de Bijbel Hem behandelt op een wijze die geen enkel gewoon mens, profeet of engel toekomt.

De vraag is daarom niet alleen:

Hoe kan Jezus God zijn als Hij Zich aan de Vader onderwerpt?

De minstens zo indringende vraag is:

Hoe kan Jezus slechts mens zijn als de Schrift Hem keer op keer plaatst binnen de sfeer van wat uitsluitend aan God toekomt?

Zolang het unitarisme op die tweede vraag geen werkelijk samenhangend antwoord geeft, blijft juist daar zijn grootste Bijbelse zwakte zichtbaar.

 

De Drie-eenheid staat toch nergens in de Bijbel?

Het woord Drie-eenheid staat inderdaad niet letterlijk in de Bijbel.

Maar dat argument bewijst weinig.

De vraag is niet of onze samenvattende leerstellige term letterlijk in één vers voorkomt.

De vraag is of de Bijbelse gegevens waarop die term gebaseerd is aanwezig zijn.

En die zijn er:

  • Er is één God.
  • De Vader is God.
  • De Zoon is onderscheiden van de Vader.
  • De Zoon wordt God genoemd.
  • De Zoon bezit eigenschappen van JHWH.
  • De Zoon verricht werken van JHWH.
  • Oudtestamentische teksten over JHWH worden op de Zoon toegepast.
  • De Zoon ontvangt goddelijke eer.
  • De Heilige Geest wordt onderscheiden van Vader en Zoon en handelt persoonlijk en goddelijk.

De leer van de Drie-eenheid probeert de Schrift niet ingewikkelder te maken.

Zij probeert juist geen van deze Bijbelse gegevens weg te gooien.

 

Het cumulatieve Bijbelse bewijs dat Jezus God is

Dit is uiteindelijk het beslissende punt.

Wanneer één tekst Jezus God zou noemen, kon men eindeloos over dat ene vers discussiëren.

Wanneer één JHWH-tekst op Jezus werd toegepast, kon men misschien nog van uitzonderlijk taalgebruik spreken.

Maar we hebben geen enkele losse tekst.

We hebben een patroon dat door de Schrift heen loopt:

JHWH is de Eerste en de Laatste.
Jezus is de Eerste en de Laatste.

JHWH is Heiland.
Jezus is Heiland.

JHWH is Schepper.
Door Jezus zijn alle dingen geschapen.

JHWH is de Herder.
Jezus is de goede Herder.

JHWH is de Rots.
Christus is de Rots.

JHWH vergeeft zonden.
Jezus vergeeft zonden.

JHWH geeft leven.
Jezus geeft eeuwig leven.

JHWH oordeelt de wereld.
Jezus Christus oordeelt de wereld.

JHWH onderzoekt hart en nieren.
Jezus onderzoekt hart en nieren.

Voor JHWH buigt iedere knie.
Voor Jezus buigt iedere knie.

Wie JHWH aanroept wordt behouden.
De Here Jezus wordt aangeroepen tot behoud.

De weg wordt voor JHWH bereid.
Johannes bereidt de weg voor Jezus.

JHWH komt op de wolken.
Jezus komt op de wolken.

JHWH bezit goddelijke heerlijkheid.
Jezus bezat heerlijkheid bij de Vader voordat de wereld bestond.

Hoeveel overeenkomsten zijn nodig?

Tien?

Twintig?

Wanneer wordt het punt bereikt waarop we niet langer ieder afzonderlijk vers proberen te neutraliseren, maar eindelijk erkennen dat er een cumulatief getuigenis ligt?

 

Jezus is JHWH: laat Johannes het laatste woord hebben

Johannes formuleert het bijna ongeëvenaard zorgvuldig:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)

“Het Woord was bij God.”

Daar is onderscheid.

“Het Woord was God.”

Daar is de Godheid.

Vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…”
Johannes 1:14 (STV)

Daar is menswording.

De Here Jezus Christus is niet de Vader.

Hij is werkelijk de Zoon.

Hij is werkelijk mens geworden.

Maar dezelfde Schrift laat ons evenmin toe Hem te reduceren tot uitsluitend een menselijke Messias of een verheven schepsel.

Daarvoor worden eenvoudigweg te moerenondeksher van de titels, eigenschappen, werken en prerogatieven van JHWH die op Hem worden toegepast.

Misschien is daarom niet de juiste vraag:

“Kun je één tekst noemen waaruit blijkt dat Jezus God is?”

De veel indringender vraag luidt:

Hoe vaak moet JHWH in het Oude Testament iets exclusief over Zichzelf zeggen, waarna het Nieuwe Testament precies datzelfde op de Here Jezus Christus toepast, voordat wij ophouden de teksten passend te maken bij onze leer en onze leer passend maken bij de teksten?

Het probleem is niet dat er niet genoeg Bijbelteksten zijn die op de godheid van Christus wijzen.

Het probleem is juist het tegenovergestelde.

Het bewijs blijft zich opstapelen.

En wie alle gegevens serieus wil nemen, kan niet blijven volstaan met tegenspreken:

“Maar Jezus bad toch?”

“Maar Jezus gehoorzaamde toch?”

“Maar Jezus stierf toch?”

Ja.

Dat dééd Hij.

Omdat het Woord werkelijk vlees geworden is.

Maar datzelfde Woord:

was God.

Daarom is de Bijbelse belijdenis niet dat een mens later God geworden is.

De Bijbelse belijdenis is dat Degene Die God was, mens geworden is.

En daarom wijzen uiteindelijk al deze lijnen in dezelfde richting:

Jezus Christus is Heer

Niet als een tweede god naast JHWH.

Niet als slechts een verheven profeet.

Niet als slechts een menselijke Messias.

Maar als de Zoon, door Wie alle dingen zijn, Die de heerlijkheid bij de Vader had eer de wereld was, voor Wie iedere knie zal buigen en Die door de Schrift geplaatst wordt binnen de identiteit van de ene God.

Daar ligt uiteindelijk het punt waarop iedere christologie getoetst moet worden: niet aan de teksten die gemakkelijk in het eigen systeem passen, maar juist aan de teksten die dat systeem onder spanning zetten.

En juist daar blijkt hoe vreselijk ontoereikend het unitarisme is.

Want een leer die uitstekend kan uitleggen waarom Jezus mens is, maar voortdurend moeite heeft met de teksten waarin Hij God gelijk wordt voorgesteld, heeft niet zomaar een klein exegetisch probleem.

Zij heeft een christologisch probleem.

Een ernstig probleem.

Want de vraag is uiteindelijk niet:

Wat maken wij van Jezus?

De vraag is:

Wie zegt de Schrift dat Hij is?

En het antwoord klinkt door van Genesis tot Openbaring:

Jezus Christus is Heer.

Lees ook:

De Godheid van Jezus in het Oude Testament – Bijbelse basis

Jezus is JHWH – Bijbelse basis

De wapenrusting Gods in Efeze 6 en geestelijke strijd

Wat is geestelijke strijd?

 De wapenrusting Gods in Efeze 6 is waarschijnlijk een van de bekendste beelden die Paulus gebruikt.

Toch wordt dit gedeelte regelmatig verbonden met allerlei ideeën over geestelijke strijd die we in de tekst zelf helemaal niet terugvinden. Denk aan het binden van demonen, territoriale geesten, generatievloeken, geestelijke decreten en speciale technieken voor zogenaamde geestelijke oorlogsvoering.

Maar wanneer Paulus zelf uitlegt hoe de gelovige de geestelijke strijd voert, klinkt het heel anders.

Geen geheime kennis over de demonenwereld. Geen stappenplan om territoriale machten te verdrijven. Geen bijzondere groep “geestelijke strijders”. Geen opdracht om satan rechtstreeks aan te spreken.

Paulus zegt:

“Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.” (Efeze 6:13, STV)

Staande blijven

Dat klinkt veel minder spectaculair dan wat er tegenwoordig allemaal onder geestelijke oorlogsvoering wordt verstaan. Maar daarin ligt wel de geweldige boodschap van Efeze 6.

De gelovige strijdt niet om een positie in Christus te bemachtigen.

Hij strijdt vanuit de positie die God hem reeds in Christus gegeven heeft.

Geestelijke strijd? trek je wapenrusting aan!
Wapenrusting van God

Eerst onze positie in Christus, daarna de geestelijke strijd

Wie de geestelijke strijd van Efeze 6 losmaakt van de rest van de brief, mist gemakkelijk de kern van Paulus’ onderwijs.

Paulus begint namelijk niet met de duivel.

Hij begint met Christus.

En hij begint niet met onze strijd, maar met hetgeen God reeds voor ons gedaan heeft.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

En:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” (Efeze 2:6, STV)

Voordat Paulus de gelovige in Efeze 6 vertelt dat hij moet staan, heeft hij hem dus eerst verteld waar God hem heeft gezet.

Dat is cruciaal voor het begrijpen van de wapenrusting Gods.

Onze geestelijke strijd begint niet bij de vraag:

Hoe kan ik de overwinning behalen?

De betere vraag is:

Wat heeft God mij in Christus reeds gegeven en hoe blijf ik daarin staan?

De overwinning van Christus is niet het uiteindelijke resultaat van onze geestelijke strijd.

Zijn overwinning is het uitgangspunt ervan

 

Efeze 6 zegt dat de geestelijke strijd echt bestaat

Dat betekent niet dat Paulus de realiteit van geestelijke machten ontkent. Integendeel.

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (Efeze 6:12, STV)

De geestelijke strijd is reëel.

De tegenstander is reëel .

De geestelijke boosheden zijn reëel .

Daarom moeten we nauwkeurig luisteren naar wat Paulus vervolgens zegt.

Hij vertelt ons niet uitvoerig hoe deze machten georganiseerd zouden zijn. Hij geeft ons geen namen van demonen. Hij leert ons niet hoe wij hun territoria moeten identificeren.

Hij geeft ook geen formules waarmee geestelijke machten zouden kunnen worden gebonden.

In plaats daarvan schrijft hij:

“Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.” (Efeze 6:11, STV)

Daar staat iets veelzeggend:

listige omleidingen.

Misleiding behoort kennelijk tot het terrein waarop de strijd wordt gevoerd.

En daarmee komen we bij het eerste onderdeel van de wapenrusting Gods.

 

De gordel van de waarheid tegen geestelijke misleiding

“Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid…” (Efeze 6:14, STV)

Waarom begint de wapenrusting Gods met waarheid?

Omdat de tegenstander vanaf het begin met leugen, verdraaiing en twijfel heeft gewerkt.

In Genesis klinkt:

“Is het ook, dat God gezegd heeft…” (Genesis 3:1, STV)

Daar begint het.

Niet onmiddellijk met een openlijke ontkenning van God, maar met twijfel aan hetgeen God gesproken heeft.

Heeft God dat werkelijk gezegd?

Bedoelde God het wel zo?

Kun je werkelijk vertrouwen op Zijn Woord?

Daarom is het opvallend dat Paulus de gelovige niet eerst een bijzondere geestelijke ervaring aanbiedt.

Hij geeft hem waarheid.

Geestelijke strijd wordt niet gewonnen door steeds meer met de vijand bezig te zijn. De gelovige moet juist steeds beter weten wat God gezegd heeft.

Daarom is Bijbelse toetsing geen gebrek aan geloof. Het behoort juist bij geestelijke waakzaamheid.

Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van God.

Niet iedere indrukwekkende ervaring is waarheid.

Niet iedereen die beweert namens God te spreken, spreekt daarom namens God.

Onze gordel is niet onze ervaring.

Onze gordel is de waarheid

 

Het borstwapen der gerechtigheid

Paulus vervolgt:

“…en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;” (Efeze 6:14, STV)

Een van de gevaarlijkste aanvallen op een gelovige is beschuldiging.

Je bent niet goed genoeg.

Na wat jij gedaan hebt, kan God jou onmogelijk gebruiken.

Denk je werkelijk dat God jou nog aanneemt?

Wanneer wij daarop antwoorden door uitsluitend naar onszelf te kijken, raken we gemakkelijk verstrikt.

Want als onze zekerheid afhankelijk wordt van onze prestaties, zullen we altijd iets vinden waarvoor we onszelf kunnen aanklagen.

Maar het Evangelie richt onze blik op Christus.

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.” (Romeinen 8:33, STV)

Daar ligt onze zekerheid.

Niet in onze volmaaktheid.

Niet in onze prestaties.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

In Christus

Dat maakt onze levenswandel uiteraard niet onbelangrijk. Integendeel. Juist wie begrijpt wat hem uit genade geschonken is, behoort waardig zijn roeping te wandelen.

Maar onze positie voor God rust niet op onze prestaties.

Wij staan in Christus.

 

Het Evangelie des vredes geeft vaste grond

“En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;” (Efeze 6:15, STV)

Wat een opmerkelijke combinatie.

Paulus spreekt over geestelijke strijd en vervolgens over vrede.

Dat alleen al zou ons uiterst voorzichtig moeten maken met vormen van geestelijke oorlogsvoering die christenen voortdurend angstig maken voor demonen, vervloekingen, territoriale machten en geestelijke aanvallen.

De gelovige staat op het Evangelie des vredes.

Hij weet Wie hem gered heeft.

Hij weet op grond waarvan hij aangenomen is.

Hij weet tot Wie hij behoort.

Hij weet dat Christus genoeg is.

Daarom hoeft hij niet voortdurend angstig achterom te kijken om te ontdekken wat de duivel misschien aan het doen is.

Zijn voeten staan ergens op.

Het Evangelie des vredes

 

Het schild des geloofs tegen de vurige pijlen

“Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.” (Efeze 6:16, STV)

Paulus ontkent de aanvallen van de boze niet.

Hij noemt ze vurige pijlen.

Twijfel kan zo’n pijl zijn. Angst kan zo’n pijl zijn. Verleiding, beschuldiging, moedeloosheid en leugen kunnen een gelovige diep raken.

Maar wat moet hij vervolgens doen?

Paulus zegt niet dat wij achter iedere gedachte moeten proberen te ontdekken welke demon ervoor verantwoordelijk zou kunnen zijn.

Hij zegt:

Neem het schild des geloofs.

Geloof zegt niet:

Ik voel dat alles goedkomt.

Geloof zegt:

God heeft gesproken en daarom vertrouw ik Hem.

Onze gevoelens kunnen vandaag sterk zijn en morgen volledig instorten.

Gods Woord verandert niet.

Het geloof rust daarom uiteindelijk niet op de kracht waarmee wij geloven, maar op de betrouwbaarheid van Hem Die gesproken heeft.

 

De helm der zaligheid en de zekerheid van de gelovige

“En neemt den helm der zaligheid…” (Efeze 6:17, STV)

Hoeveel gelovigen worden juist op dit terrein aangevallen?

Ben ik werkelijk behouden?

Heb ik wel genoeg geloof?

Heb ik misschien iets gedaan waardoor God mij heeft losgelaten?

Wanneer onze blik vervolgens steeds verder naar binnen gericht wordt, kunnen we volledig verstrikt raken in onszelf.

Maar zaligheid is Gods werk.

Onze zekerheid ligt niet in de volmaaktheid van onze gevoelens, maar in de volmaaktheid van het werk van Christus.

De gelovige moet daarom leren denken vanuit hetgeen God over hem in Christus heeft gezegd.

Niet voortdurend:

Wat voel ik vandaag?

Maar:

Wat heeft God gezegd?

Het zwaard des Geestes is Gods Woord

Dan komen we bij het zwaard:

“En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.” (Efeze 6:17, STV)

Hier kunnen we niet omheen.

Wanneer Paulus over geestelijke strijd spreekt en een daadwerkelijk aanvalswapen noemt, verwijst hij ons naar:

Gods Woord

Niet naar speciale formules.

Niet naar geheime kennis.

Niet naar geestelijke technieken.

Niet naar een bijzonder “gezalfde” bediening.

Niet naar het uitspreken van decreten.

Gods Woord

Ook de Here Jezus Christus liet bij Zijn verzoeking zien hoe fundamenteel dit is:

“Er is geschreven…” (Mattheüs 4:4, STV)

Dáár hebben we Bijbelse geestelijke strijd.

En hier kan het best een beetje ongemakkelijk worden.

Een christendom dat voortdurend spreekt over geestelijke strijd, maar waarin steeds minder degelijk Bijbelonderwijs wordt gegeven, heeft een ernstig probleem.

Men spreekt dan veel over het zwaard, terwijl men nauwelijks leert het te hanteren.

Wie christenen werkelijk wil toerusten voor geestelijke strijd, moet hen daarom niet in de eerste plaats leren hoe demonen zouden functioneren.

Leer hen Gods Woord kennen

 

Gebed en de wapenrusting Gods horen bij elkaar

Paulus eindigt met:

“Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;” (Efeze 6:18, STV)

Gebed is ook hier geen magische techniek.

Gebed is afhankelijkheid.

De gelovige staat niet in eigen kracht. Hij leeft vanuit Christus en blijft afhankelijk van God.

Opvallend genoeg trekt Paulus onze blik daarbij ook naar andere gelovigen:

“…smeking voor al de heiligen;” (Efeze 6:18, STV)

Geestelijke strijd is dus niet slechts de individuele christen die zichzelf steeds verder verdiept in een onzichtbare oorlog met demonen.

Het Lichaam van Christus bidt voor elkaar.

 

Is “demonen binden” eigenlijk wel Bijbelse geestelijke strijd?

Hier wordt de vergelijking met sommige hedendaagse vormen van geestelijke oorlogsvoering onontkomelijk.

Er wordt gesproken over het binden van territoriale geesten, het verbreken van demonische bolwerken boven steden, het verbreken van generatievloeken, het rechtstreeks aanspreken van geestelijke machten en het uitspreken van geestelijke decreten.

Maar wanneer Paulus de Gemeente daadwerkelijk instrueert over haar strijd tegen geestelijke machten, noemt hij iets anders:

waarheid, gerechtigheid, het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, Gods Woord en gebed.

Daarom moeten we een eenvoudige maar ongemakkelijke vraag stellen:

Als allerlei moderne technieken werkelijk noodzakelijk zijn voor effectieve geestelijke strijd, waarom noemt Paulus ze dan niet wanneer hij juist uitlegt hoe de gelovige tegen de listige omleidingen van de duivel moet standhouden?

Dat is geen bijzaak.

Efeze 6 vertelt ons namelijk niet alleen dat er geestelijke strijd bestaat.

Het vertelt ons ook hoe God wil dat wij daarin staan.

 

Geestelijke strijd betekent niet voortdurend met de duivel bezig zijn

Hier ligt ook een belangrijke pastorale bevrijding.

Sommige christenen zijn door bepaald onderwijs bijna voortdurend bezig met de duivel.

Een tegenslag?

Misschien een aanval.

Een moeilijke gedachte?

Misschien demonisch.

Problemen in het gezin?

Misschien een vloek.

Tegenstand?

Misschien territoriale machten.

Maar zo kan iemand die meent voortdurend met geestelijke strijd bezig te zijn ongemerkt steeds meer met satan bezig zijn.

Efeze 6 richt onze aandacht juist op hetgeen God gegeven heeft.

Dat verandert de blikrichting volledig.

Niet voortdurend:

Wat doet de vijand?

Maar:

Wat heeft God gezegd?

Niet:

Welke macht moet ik nog verbreken?

Maar:

Sta ik in geloof op hetgeen Christus volbracht heeft?

Niet:

Welke bijzondere geestelijke techniek heb ik nodig?

Maar:

Ken ik het Woord van God?

Dat is niet minder geestelijk.

Dat is de geestelijke strijd die Paulus beschrijft.

 

De kern van de wapenrusting Gods: staande blijven in Christus

Misschien zijn dit uiteindelijk wel de mooiste woorden van Efeze 6:

“…en alles verricht hebbende, staande blijven.” (Efeze 6:13, STV)

Staande blijven.

Niet omdat jij zo sterk bent.

Niet omdat jouw geloof altijd sterk voelt.

Niet omdat jij de vijand volledig doorgrond hebt.

Niet omdat jij een bijzondere geestelijke status hebt bereikt.

Maar omdat God jou in Christus ziet.

De christelijke strijd begint daarom niet bij onze kracht, maar bij Zijn genade.

De gelovige hoeft niet alsnog te bereiken wat Christus reeds volbracht heeft. Dat is ten enen male onmogelijk.

Hij mag geloven.

Hij mag rusten op Gods Woord.

Hij mag bidden.

Hij mag wandelen vanuit hetgeen God hem in Christus gegeven heeft.

En wanneer de vurige pijlen komen, hoeft hij niet in paniek op zoek naar een nieuwe geestelijke techniek.

Neem de gehele wapenrusting Gods.

En blijf staan.

Want echte Bijbelse geestelijke strijd is niet de kunst om steeds meer over de duivel te weten.

Het is leren leven vanuit datgene wat wij in Christus al bezitten.

Lees ook:

Strategische geestelijke oorlogsvoering: pure speculatie – Bijbelse basis

 

Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

Geverifieerd door MonsterInsights