De gemeente van Jezus Christus; Zijn lichaam
Rechtstreeks en herhaaldelijk genoemd
De Bijbel noemt de Gemeente niet alleen maar bij wijze van beeldspraak het lichaam van Christus; het staat er rechtstreeks en herhaaldelijk. De Here Jezus Christus is het Hoofd, en alle gelovigen in deze tijd vormen samen Zijn lichaam.
Een van de duidelijkste teksten is:
“En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.”
(1 Korinthe 12:27, STV)
Dat laat weinig ruimte voor twijfel. Paulus zegt niet: “gij lijkt op een lichaam”, maar:
“Gijlieden zijt het lichaam van Christus.”
Christus is het Hoofd van dat lichaam
In Efeze wordt dezelfde waarheid verder uitgewerkt:
“…en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.”
(Efeze 1:22-23, STV)
Hier staan de twee begrippen rechtstreeks naast elkaar:
Christus = het Hoofd
de Gemeente = Zijn lichaam
Ook Kolossenzen zegt:
“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente…”
(Kolossenzen 1:18, STV)
Dat is dus geen afgeleide leer. Het is letterlijk de woordkeus van de Schrift.
Iedere gelovige is een lid van dat ene lichaam
Paulus legt in 1 Korinthe 12 uit hoe dat lichaam is samengesteld:
“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.”
(1 Korinthe 12:12, STV)
En vervolgens:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
(1 Korinthe 12:13, STV)
Dat is belangrijk. De gelovige wordt niet door menselijke organisatie, kerkelijke inschrijving of denominatie lid van dit lichaam. De Heilige Geest voegt hem bij Christus.
Daarom kan Paulus zeggen:
“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.”
(Efeze 5:30, STV)
Dat is de lijn die ook in Efeze 5 wordt vastgehouden: Christus wordt daar het Hoofd der Gemeente genoemd en de Gemeente Zijn lichaam.
De verbinding met Christus is dus organisch
Een lichaam staat niet op afstand van zijn hoofd. Het vormt er één geheel mee.
Dat is waarom Paulus zulke sterke uitdrukkingen kan gebruiken als:
“Want wij zijn leden van elkander.”
(Efeze 4:25, STV)
en:
“…opdat wij zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; Uit Welken het gehele lichaam…”
(Efeze 4:15-16, STV)
De Gemeente ontvangt leven, richting en samenhang vanuit Christus.
Zoals het natuurlijke lichaam niet zelfstandig van het hoofd kan functioneren, zo bestaat de Gemeente alleen in Christus.
“Alzo ook Christus”
1 Korinthe 12:12 gaat zelfs opvallend ver. Paulus schrijft niet:
“zo ook de Gemeente”,
maar:
“…alzo ook Christus.” (STV)
Christus en Zijn lichaam worden daar zo nauw met elkaar verbonden dat het geheel onder de naam van het Hoofd wordt aangeduid.
Dat past bij de verborgenheid die Paulus verkondigt: gelovigen zijn niet slechts volgelingen van Christus die buiten Hem staan, maar zijn in Christus geplaatst.
Eén nieuwe mens
Daarmee hangt ook Efeze 2 samen:
“…opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen…”
(Efeze 2:15, STV)
Jood en heiden worden in deze tijd niet tot twee verschillende lichamen gemaakt. Zij worden in Christus samengebracht tot één nieuwe mens.
Dat sluit weer aan bij Efeze 4:
“Eén lichaam is het, en één Geest…”
(Efeze 4:4, STV)
En het doel van de bediening is:
“…tot opbouw des lichaams van Christus; totdat wij allen zullen komen… tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.”
(Efeze 4:12-13, STV)
Opvallend is hier ook de uitdrukking “een volkomen man”. De gedachtegang is die van Christus als Hoofd en de Gemeente als Zijn lichaam.
Daarom is Efeze 5 zo belangrijk
Efeze 5 wordt vaak aangehaald om te bewijzen dat de Gemeente de bruid van Christus zou zijn. Maar let goed op wat Paulus schrijft:
“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.”
(Efeze 5:23, STV)
En even verder:
“Want wij zijn leden Zijns lichaams…”
(Efeze 5:30, STV)
Juist waar Paulus over huwelijk spreekt, noemt hij de Gemeente niet de bruid, maar blijft hij spreken over Hoofd en lichaam.
Daarmee wordt het onderscheid belangrijk:
Israël wordt in de profetieën voorgesteld in de huwelijksrelatie met de HEERE.
De Gemeente wordt in de brieven van Paulus voorgesteld als het lichaam van de opgestane Christus.
De kern
De Gemeente is dus niet slechts een groep mensen die Jezus volgt.
Maar is:
Zijn lichaam.
Christus is:
Het Hoofd.
De gelovigen zijn:
leden van dat lichaam.
En zij zijn door één Geest:
tot één lichaam gedoopt.
Daarom is deze positie zelfs veel inniger dan alleen het beeld van een bruid die met een bruidegom verenigd zal worden. De Gemeente is reeds in gemeenschap met Christus verbonden. Hij is ons leven.
“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”
(Kolossenzen 3:3, STV)
Daar ligt het onderscheid: Israël heeft een profetische bestemming als vrouw/bruid; de Gemeente heeft nú al zijn positie als het Lichaam van Christus.
lees ook:
Israël, de bruid bij uitstek
God Zelf beschrijft Zijn verhouding tot Israël als een huwelijk
Bij de Sinaï sluit de HEERE Zijn verbond met Israël. Dit verbond wordt in de profeten uitdrukkelijk als een huwelijksverbond beschreven. Israël is daarbij de vrouw en de HEERE haar Man.
Jeremia 2:2 noemt zelfs Israëls “ondertrouw”:
“Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn…” (Jeremia 2:2, STV)
En bij de Sinaï antwoordt Israël met het ja-woord:
“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” (Exodus 19:8, STV)

Ezechiël noemt Israël letterlijk Gods vrouw
Ezechiël 16 is misschien wel het duidelijkste hoofdstuk:
“…ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt de Mijne.” (Ezechiël 16:8, STV)
Hier zijn verbond en huwelijk rechtstreeks met elkaar verbonden. Jeremia bevestigt dat:
“…welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.” (Jeremia 31:32, STV)
En:
“Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd…” (Jeremia 3:14, STV)
Dat is moeilijk weg te verklaren: Israël wordt niet alleen vergeleken met een vrouw; God zegt dat Hij haar heeft getrouwd. Bruid_en_Bruidegom_Vlichthus
Daarom wordt Israëls afgoderij vervolgens consequent “hoererij”, “overspel” en “ontrouw” genoemd. Die woorden krijgen juist hun kracht omdat er een huwelijksverbond bestond.
Het Nieuwe Verbond wordt met Israël gesloten
Dit vind ik een van de sterkste argumenten.
Jeremia zegt niet:
“Ik zal met de Gemeente een nieuw verbond maken.”
Er staat:
“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis Israëls en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” (Jeremia 31:31, STV)
En enkele verzen later:
“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal…” (Jeremia 31:33, STV)
Het oude verbond was een huwelijksverbond met Israël. Het nieuwe verbond wordt opnieuw beloofd aan Israël en Juda.
Jesaja zegt zonder omwegen tegen Israël: “Uw Maker is uw Man”
Jesaja 54 is nóg explicieter:
“Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser…” (Jesaja 54:5, STV)
En Israël wordt daar genoemd:
“…als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd…” (Jesaja 54:6, STV)
Dat gaat over dezelfde vrouw die verlaten was en opnieuw door de HEERE geroepen zal worden.
Israël → vrouw van de HEERE → ontrouw → verlaten/weggezonden → toekomstige bekering → Nieuw Verbond → opnieuw in gemeenschap met haar Man.
Dat is een zeer consistente lijn.
Ook Hosea past precies in dat beeld
Hosea is eigenlijk één grote uitbeelding van deze waarheid.
Israël wordt door haar ontrouw “Lo-Ammi” — “niet Mijn volk”. Maar dat is niet het einde. God belooft herstel:
“En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O mijn God!” (Hosea 2:22, STV)
En vlak daarvoor:
“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.” (Hosea 2:18, STV)
Dat woord “ondertrouwen” is hier enorm belangrijk.
God zegt niet tegen een nieuwe, onbekende partij dat Hij haar zal ondertrouwen. Het gaat om het Israël dat Hem ontrouw geworden was en dat Hij uiteindelijk tot Zich zal brengen.
In Openbaring heet de bruid “het nieuwe Jeruzalem”
Dan komen we bij het Nieuwe Testament.
Openbaring 21 zegt:
“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.” (Openbaring 21:2, STV)
En nog duidelijker:
“Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.”
Vervolgens ziet Johannes “de grote stad, het heilige Jeruzalem”. (Openbaring 21:9-10, STV)
De Gemeente wordt daarentegen steeds het Lichaam genoemd
Dit is het andere belangrijke deel van het argument.
Paulus zegt niet dat wij “leden van Zijn bruid” zijn, maar:
“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” (Efeze 5:30, STV)
Juist in Efeze 5, het hoofdstuk dat meestal wordt gebruikt om te zeggen dat de Gemeente de bruid is, noemt Paulus Christus het Hoofd en de Gemeente Zijn lichaam.
De kern
Daarom vind ik deze formulering het duidelijkst:
Israël is de bruid omdat God Zelf Zijn verbondsrelatie met Israël als een huwelijk openbaart. De HEERE noemt Zich haar Man, noemt Israël Zijn vrouw, noemt haar afgoderij overspel, spreekt over scheiding, belooft haar opnieuw te ondertrouwen en belooft met Israël en Juda een Nieuw Verbond te sluiten.
De Gemeente heeft een andere, nog inniger positie:
Christus is het Hoofd en de Gemeente is Zijn Lichaam.
Dat bewaart ook het onderscheid Israël – Gemeente. Je hoeft de beloften aan Israël niet over te hevelen naar de Gemeente om ze te laten uitkomen.
En eigenlijk is Hosea 2:18 misschien wel de tekst die het allemaal in één zin samenvat:
“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid…” (STV)
Dat wordt zonder omwegen tegen Israël gezegd.
zie ook: