De wapenrusting Gods in Efeze 6 en geestelijke strijd

Wat is geestelijke strijd?

 De wapenrusting Gods in Efeze 6 is waarschijnlijk een van de bekendste beelden die Paulus gebruikt.

Toch wordt dit gedeelte regelmatig verbonden met allerlei ideeën over geestelijke strijd die we in de tekst zelf helemaal niet terugvinden. Denk aan het binden van demonen, territoriale geesten, generatievloeken, geestelijke decreten en speciale technieken voor zogenaamde geestelijke oorlogsvoering.

Maar wanneer Paulus zelf uitlegt hoe de gelovige de geestelijke strijd voert, klinkt het heel anders.

Geen geheime kennis over de demonenwereld. Geen stappenplan om territoriale machten te verdrijven. Geen bijzondere groep “geestelijke strijders”. Geen opdracht om satan rechtstreeks aan te spreken.

Paulus zegt:

“Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.” (Efeze 6:13, STV)

Staande blijven

Dat klinkt veel minder spectaculair dan wat er tegenwoordig allemaal onder geestelijke oorlogsvoering wordt verstaan. Maar daarin ligt wel de geweldige boodschap van Efeze 6.

De gelovige strijdt niet om een positie in Christus te bemachtigen.

Hij strijdt vanuit de positie die God hem reeds in Christus gegeven heeft.

Geestelijke strijd? trek je wapenrusting aan!
Wapenrusting van God

Eerst onze positie in Christus, daarna de geestelijke strijd

Wie de geestelijke strijd van Efeze 6 losmaakt van de rest van de brief, mist gemakkelijk de kern van Paulus’ onderwijs.

Paulus begint namelijk niet met de duivel.

Hij begint met Christus.

En hij begint niet met onze strijd, maar met hetgeen God reeds voor ons gedaan heeft.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

En:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” (Efeze 2:6, STV)

Voordat Paulus de gelovige in Efeze 6 vertelt dat hij moet staan, heeft hij hem dus eerst verteld waar God hem heeft gezet.

Dat is cruciaal voor het begrijpen van de wapenrusting Gods.

Onze geestelijke strijd begint niet bij de vraag:

Hoe kan ik de overwinning behalen?

De betere vraag is:

Wat heeft God mij in Christus reeds gegeven en hoe blijf ik daarin staan?

De overwinning van Christus is niet het uiteindelijke resultaat van onze geestelijke strijd.

Zijn overwinning is het uitgangspunt ervan

 

Efeze 6 zegt dat de geestelijke strijd echt bestaat

Dat betekent niet dat Paulus de realiteit van geestelijke machten ontkent. Integendeel.

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (Efeze 6:12, STV)

De geestelijke strijd is reëel.

De tegenstander is reëel .

De geestelijke boosheden zijn reëel .

Daarom moeten we nauwkeurig luisteren naar wat Paulus vervolgens zegt.

Hij vertelt ons niet uitvoerig hoe deze machten georganiseerd zouden zijn. Hij geeft ons geen namen van demonen. Hij leert ons niet hoe wij hun territoria moeten identificeren.

Hij geeft ook geen formules waarmee geestelijke machten zouden kunnen worden gebonden.

In plaats daarvan schrijft hij:

“Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.” (Efeze 6:11, STV)

Daar staat iets veelzeggend:

listige omleidingen.

Misleiding behoort kennelijk tot het terrein waarop de strijd wordt gevoerd.

En daarmee komen we bij het eerste onderdeel van de wapenrusting Gods.

 

De gordel van de waarheid tegen geestelijke misleiding

“Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid…” (Efeze 6:14, STV)

Waarom begint de wapenrusting Gods met waarheid?

Omdat de tegenstander vanaf het begin met leugen, verdraaiing en twijfel heeft gewerkt.

In Genesis klinkt:

“Is het ook, dat God gezegd heeft…” (Genesis 3:1, STV)

Daar begint het.

Niet onmiddellijk met een openlijke ontkenning van God, maar met twijfel aan hetgeen God gesproken heeft.

Heeft God dat werkelijk gezegd?

Bedoelde God het wel zo?

Kun je werkelijk vertrouwen op Zijn Woord?

Daarom is het opvallend dat Paulus de gelovige niet eerst een bijzondere geestelijke ervaring aanbiedt.

Hij geeft hem waarheid.

Geestelijke strijd wordt niet gewonnen door steeds meer met de vijand bezig te zijn. De gelovige moet juist steeds beter weten wat God gezegd heeft.

Daarom is Bijbelse toetsing geen gebrek aan geloof. Het behoort juist bij geestelijke waakzaamheid.

Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van God.

Niet iedere indrukwekkende ervaring is waarheid.

Niet iedereen die beweert namens God te spreken, spreekt daarom namens God.

Onze gordel is niet onze ervaring.

Onze gordel is de waarheid

 

Het borstwapen der gerechtigheid

Paulus vervolgt:

“…en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;” (Efeze 6:14, STV)

Een van de gevaarlijkste aanvallen op een gelovige is beschuldiging.

Je bent niet goed genoeg.

Na wat jij gedaan hebt, kan God jou onmogelijk gebruiken.

Denk je werkelijk dat God jou nog aanneemt?

Wanneer wij daarop antwoorden door uitsluitend naar onszelf te kijken, raken we gemakkelijk verstrikt.

Want als onze zekerheid afhankelijk wordt van onze prestaties, zullen we altijd iets vinden waarvoor we onszelf kunnen aanklagen.

Maar het Evangelie richt onze blik op Christus.

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.” (Romeinen 8:33, STV)

Daar ligt onze zekerheid.

Niet in onze volmaaktheid.

Niet in onze prestaties.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

In Christus

Dat maakt onze levenswandel uiteraard niet onbelangrijk. Integendeel. Juist wie begrijpt wat hem uit genade geschonken is, behoort waardig zijn roeping te wandelen.

Maar onze positie voor God rust niet op onze prestaties.

Wij staan in Christus.

 

Het Evangelie des vredes geeft vaste grond

“En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;” (Efeze 6:15, STV)

Wat een opmerkelijke combinatie.

Paulus spreekt over geestelijke strijd en vervolgens over vrede.

Dat alleen al zou ons uiterst voorzichtig moeten maken met vormen van geestelijke oorlogsvoering die christenen voortdurend angstig maken voor demonen, vervloekingen, territoriale machten en geestelijke aanvallen.

De gelovige staat op het Evangelie des vredes.

Hij weet Wie hem gered heeft.

Hij weet op grond waarvan hij aangenomen is.

Hij weet tot Wie hij behoort.

Hij weet dat Christus genoeg is.

Daarom hoeft hij niet voortdurend angstig achterom te kijken om te ontdekken wat de duivel misschien aan het doen is.

Zijn voeten staan ergens op.

Het Evangelie des vredes

 

Het schild des geloofs tegen de vurige pijlen

“Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.” (Efeze 6:16, STV)

Paulus ontkent de aanvallen van de boze niet.

Hij noemt ze vurige pijlen.

Twijfel kan zo’n pijl zijn. Angst kan zo’n pijl zijn. Verleiding, beschuldiging, moedeloosheid en leugen kunnen een gelovige diep raken.

Maar wat moet hij vervolgens doen?

Paulus zegt niet dat wij achter iedere gedachte moeten proberen te ontdekken welke demon ervoor verantwoordelijk zou kunnen zijn.

Hij zegt:

Neem het schild des geloofs.

Geloof zegt niet:

Ik voel dat alles goedkomt.

Geloof zegt:

God heeft gesproken en daarom vertrouw ik Hem.

Onze gevoelens kunnen vandaag sterk zijn en morgen volledig instorten.

Gods Woord verandert niet.

Het geloof rust daarom uiteindelijk niet op de kracht waarmee wij geloven, maar op de betrouwbaarheid van Hem Die gesproken heeft.

 

De helm der zaligheid en de zekerheid van de gelovige

“En neemt den helm der zaligheid…” (Efeze 6:17, STV)

Hoeveel gelovigen worden juist op dit terrein aangevallen?

Ben ik werkelijk behouden?

Heb ik wel genoeg geloof?

Heb ik misschien iets gedaan waardoor God mij heeft losgelaten?

Wanneer onze blik vervolgens steeds verder naar binnen gericht wordt, kunnen we volledig verstrikt raken in onszelf.

Maar zaligheid is Gods werk.

Onze zekerheid ligt niet in de volmaaktheid van onze gevoelens, maar in de volmaaktheid van het werk van Christus.

De gelovige moet daarom leren denken vanuit hetgeen God over hem in Christus heeft gezegd.

Niet voortdurend:

Wat voel ik vandaag?

Maar:

Wat heeft God gezegd?

Het zwaard des Geestes is Gods Woord

Dan komen we bij het zwaard:

“En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.” (Efeze 6:17, STV)

Hier kunnen we niet omheen.

Wanneer Paulus over geestelijke strijd spreekt en een daadwerkelijk aanvalswapen noemt, verwijst hij ons naar:

Gods Woord

Niet naar speciale formules.

Niet naar geheime kennis.

Niet naar geestelijke technieken.

Niet naar een bijzonder “gezalfde” bediening.

Niet naar het uitspreken van decreten.

Gods Woord

Ook de Here Jezus Christus liet bij Zijn verzoeking zien hoe fundamenteel dit is:

“Er is geschreven…” (Mattheüs 4:4, STV)

Dáár hebben we Bijbelse geestelijke strijd.

En hier kan het best een beetje ongemakkelijk worden.

Een christendom dat voortdurend spreekt over geestelijke strijd, maar waarin steeds minder degelijk Bijbelonderwijs wordt gegeven, heeft een ernstig probleem.

Men spreekt dan veel over het zwaard, terwijl men nauwelijks leert het te hanteren.

Wie christenen werkelijk wil toerusten voor geestelijke strijd, moet hen daarom niet in de eerste plaats leren hoe demonen zouden functioneren.

Leer hen Gods Woord kennen

 

Gebed en de wapenrusting Gods horen bij elkaar

Paulus eindigt met:

“Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;” (Efeze 6:18, STV)

Gebed is ook hier geen magische techniek.

Gebed is afhankelijkheid.

De gelovige staat niet in eigen kracht. Hij leeft vanuit Christus en blijft afhankelijk van God.

Opvallend genoeg trekt Paulus onze blik daarbij ook naar andere gelovigen:

“…smeking voor al de heiligen;” (Efeze 6:18, STV)

Geestelijke strijd is dus niet slechts de individuele christen die zichzelf steeds verder verdiept in een onzichtbare oorlog met demonen.

Het Lichaam van Christus bidt voor elkaar.

 

Is “demonen binden” eigenlijk wel Bijbelse geestelijke strijd?

Hier wordt de vergelijking met sommige hedendaagse vormen van geestelijke oorlogsvoering onontkomelijk.

Er wordt gesproken over het binden van territoriale geesten, het verbreken van demonische bolwerken boven steden, het verbreken van generatievloeken, het rechtstreeks aanspreken van geestelijke machten en het uitspreken van geestelijke decreten.

Maar wanneer Paulus de Gemeente daadwerkelijk instrueert over haar strijd tegen geestelijke machten, noemt hij iets anders:

waarheid, gerechtigheid, het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, Gods Woord en gebed.

Daarom moeten we een eenvoudige maar ongemakkelijke vraag stellen:

Als allerlei moderne technieken werkelijk noodzakelijk zijn voor effectieve geestelijke strijd, waarom noemt Paulus ze dan niet wanneer hij juist uitlegt hoe de gelovige tegen de listige omleidingen van de duivel moet standhouden?

Dat is geen bijzaak.

Efeze 6 vertelt ons namelijk niet alleen dat er geestelijke strijd bestaat.

Het vertelt ons ook hoe God wil dat wij daarin staan.

 

Geestelijke strijd betekent niet voortdurend met de duivel bezig zijn

Hier ligt ook een belangrijke pastorale bevrijding.

Sommige christenen zijn door bepaald onderwijs bijna voortdurend bezig met de duivel.

Een tegenslag?

Misschien een aanval.

Een moeilijke gedachte?

Misschien demonisch.

Problemen in het gezin?

Misschien een vloek.

Tegenstand?

Misschien territoriale machten.

Maar zo kan iemand die meent voortdurend met geestelijke strijd bezig te zijn ongemerkt steeds meer met satan bezig zijn.

Efeze 6 richt onze aandacht juist op hetgeen God gegeven heeft.

Dat verandert de blikrichting volledig.

Niet voortdurend:

Wat doet de vijand?

Maar:

Wat heeft God gezegd?

Niet:

Welke macht moet ik nog verbreken?

Maar:

Sta ik in geloof op hetgeen Christus volbracht heeft?

Niet:

Welke bijzondere geestelijke techniek heb ik nodig?

Maar:

Ken ik het Woord van God?

Dat is niet minder geestelijk.

Dat is de geestelijke strijd die Paulus beschrijft.

 

De kern van de wapenrusting Gods: staande blijven in Christus

Misschien zijn dit uiteindelijk wel de mooiste woorden van Efeze 6:

“…en alles verricht hebbende, staande blijven.” (Efeze 6:13, STV)

Staande blijven.

Niet omdat jij zo sterk bent.

Niet omdat jouw geloof altijd sterk voelt.

Niet omdat jij de vijand volledig doorgrond hebt.

Niet omdat jij een bijzondere geestelijke status hebt bereikt.

Maar omdat God jou in Christus ziet.

De christelijke strijd begint daarom niet bij onze kracht, maar bij Zijn genade.

De gelovige hoeft niet alsnog te bereiken wat Christus reeds volbracht heeft. Dat is ten enen male onmogelijk.

Hij mag geloven.

Hij mag rusten op Gods Woord.

Hij mag bidden.

Hij mag wandelen vanuit hetgeen God hem in Christus gegeven heeft.

En wanneer de vurige pijlen komen, hoeft hij niet in paniek op zoek naar een nieuwe geestelijke techniek.

Neem de gehele wapenrusting Gods.

En blijf staan.

Want echte Bijbelse geestelijke strijd is niet de kunst om steeds meer over de duivel te weten.

Het is leren leven vanuit datgene wat wij in Christus al bezitten.

Lees ook:

Strategische geestelijke oorlogsvoering: pure speculatie – Bijbelse basis

 

Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

1 Petrus 5:6-11 lijden, zorgen, de duivel en Gods genade

Als de leeuw brult, maar God zorgt; 1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Er bestaat christelijke prediking waarin lijden bijna als een storing in het geloofsleven wordt beschouwd. Als je werkelijk gelooft, zou je moeten overwinnen. Als je dicht bij God leeft, zou je voortdurend doorbraken moeten meemaken. Zegen wordt zichtbaar in succes, gezondheid en voorspoed. Tegenslag vraagt dan al snel om een verklaring: heb je wel voldoende geloof? Staat er misschien ergens een deur open voor de vijand?

Lees daar eens rustig 1 Petrus 5:6-11 naast.

1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Petrus schrijft niet aan mensen die God verlaten hebben. Hij schrijft aan gelovigen. En toch spreekt hij zonder omwegen over vernedering, bekommernis, geestelijke strijd en lijden.

Maar daar eindigt hij niet.

Boven dit alles plaatst Petrus de machtige werkelijkheid van Gods zorg, Gods genade en de eeuwige heerlijkheid waartoe de gelovige in Christus geroepen is.

Dat maakt dit gedeelte tegelijk ontmaskerend en buitengewoon sterk vertroostend.

Verneder u onder de krachtige hand van God

Petrus schrijft:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (1 Petrus 5:6, STV)

Bijbelse nederigheid betekent niet dat een christen zichzelf voortdurend waardeloos moet vinden. Het betekent dat hij zijn plaats tegenover God kent.

Hij is God.

Wij zijn het niet.

Dat klinkt eenvoudig, maar juist in moeilijke omstandigheden wordt dit op de proef gesteld. Wij willen begrijpen waarom iets gebeurt. Wij willen oplossingen. Wij willen controle. En als het even kan willen wij ook weten wanneer het voorbijgaat.

Petrus geeft geen methode waarmee de gelovige Gods hand kan dwingen.

Hij zegt:

“…opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (STV)

Let vooral op die laatste woorden: te Zijner tijd.

Niet op mijn tijd.

Niet wanneer ik voldoende geloof heb geproduceerd.

Niet wanneer ik de juiste geestelijke formule heb gevonden.

God bepaalt de tijd.

Dat vraagt geloof.

 

God vraagt niet dat u uw zorgen ontkent

Onmiddellijk daarna volgen misschien wel de bekendste woorden uit dit gedeelte:

“Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Dit vers wordt vaak los geciteerd, maar het woordje dan uit vers 6 helpt ons de samenhang te zien. Het werpen van onze zorgen op God behoort bij het ons vernederen onder Zijn krachtige hand.

Dat is belangrijk.

Bijbels geloof betekent namelijk niet dat wij doen alsof onze zorgen niet bestaan.

Petrus zegt niet: ontken uw bekommernis.

Hij zegt:

werp haar op Hem.

Je mag dus bezorgd zijn over je toekomst. Je mag verdriet kennen. Je mag niet begrijpen waarom een bepaalde weg door je leven loopt. Je mag met vragen bij God komen.

Maar je hoeft die last niet zelf te dragen alsof alles uiteindelijk van jou afhankelijk is.

Waarom niet?

Niet omdat alles onmiddellijk goed zal komen volgens onze definitie van “goed”.

Maar omdat:

“…Hij zorgt voor u.” (STV)

Vier eenvoudige woorden.

En misschien behoren ze wel tot de meest herderlijke woorden van het Nieuwe Testament.

Hij zorgt voor u

 

Gods zorg betekent niet de afwezigheid van lijden

Hier wordt het apologetisch belangrijk.

Want vers 7 wordt soms gebruikt alsof Gods zorg betekent dat Hij de gelovige tegen alle ernstige moeilijkheden beschermt.

Maar dat kan Petrus onmogelijk bedoelen.

Een paar regels verder schrijft dezelfde apostel:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

En vervolgens:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben…” (1 Petrus 5:10, STV)

God zorgt voor u.

En:

u zult een weinig tijd lijden.

Die twee werkelijkheden staan in dezelfde alinea.

Daarmee valt een complete voorspoedsleer eigenlijk al om.

Gods zorg wordt in de Schrift niet bewezen door de afwezigheid van lijden

Integendeel: Gods zorg wordt juist zichtbaar doordat Hij de gelovige in en door het lijden heen vasthoudt en hem uiteindelijk tot Zijn bestemming brengt.

 

De duivel is reëel, maar Petrus zet hem op zijn plaats

Dan verschijnt ineens de tegenstander:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” (1 Petrus 5:8, STV)

Dat is ernstige taal.

De Bijbel bagatelliseert de duivel niet.

Maar merk tegelijk op hoe nuchter Petrus over geestelijke strijd spreekt.

Geen ingewikkelde technieken.

Geen geestelijke oorlogsvoering waarbij christenen demonen moeten identificeren die boven steden of gebieden zouden regeren.

Geen speciale gebedsformules.

Geen stappenplan.

Geen “profetische handelingen”.

Geen bevel om de duivel te binden.

Petrus zegt:

“Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof…” (1 Petrus 5:9, STV)

Daar staat het.

Vaststaan in het geloof

De duivel wordt niet bestreden door spectaculaire geestelijke ervaringen, maar doordat de gelovige weigert zijn vertrouwen op God los te laten.

Dat is minder sensationeel.

Maar het is tenminste gewoon Bijbels.

 

Waarom juist tijdens het lijden waakzaam zijn?

De plaats van vers 8 is veelzeggend.

Petrus spreekt eerst over nederigheid en bekommernis. Daarna waarschuwt hij voor de tegenstander. Vervolgens spreekt hij opnieuw over lijden.

Dat suggereert een belangrijke geestelijke werkelijkheid.

Juist wanneer wij lijden, zijn wij kwetsbaar.

Niet alleen lichamelijk of emotioneel, maar ook geestelijk.

Dan kunnen gedachten opkomen als:

Waar is God nu?

Waarom laat Hij dit toe?

Zorgt Hij werkelijk voor mij?

Waarom wordt mijn gebed niet verhoord zoals ik had gehoopt?

Juist daar kan de briesende leeuw proberen binnen te komen.

Niet noodzakelijk met iets spectaculairs.

Soms is één leugen voldoende:

God heeft je verlaten

En daartegenover staat het eenvoudige Woord der waarheid:

“…want Hij zorgt voor u.” (STV)

Daarom moet de gelovige vaststaan in het geloof.

Niet vaststaan in zijn gevoel.

Niet in zijn omstandigheden.

Niet in zichtbare resultaten.

Maar in wat God gesproken heeft.

 

Lijden is geen bewijs van onvoldoende geloof

Dat verdient nadruk, juist in onze tijd.

Petrus schrijft:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

Lijden behoort blijkbaar niet tot een uitzonderingscategorie voor christenen die iets verkeerd hebben gedaan.

De broederschap in de wereld kent het.

Dat staat haaks op de gedachte dat ziekte, vervolging, verlies of tegenslag noodzakelijk betekenen dat iemand onvoldoende geloof heeft.

Soms wordt een gelovige door zulke prediking zelfs tweemaal getroffen.

Eerst is er het lijden zelf.

Daarna komt de beschuldiging dat het lijden blijkbaar iets zegt over zijn geloof.

Petrus doet precies het tegenovergestelde.

Hij maakt van het lijden geen aanklacht tegen de gelovige, maar plaatst het binnen het grotere perspectief van Gods eeuwige bedoeling.

 

Een weinig tijd tegenover eeuwige heerlijkheid

Dan komt het geweldige vers 10:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (1 Petrus 5:10, STV)

Hier verlegt Petrus onze blik op de tijd.

Wij kijken naar vandaag.

God laat ons kijken naar de eeuwigheid.

Petrus noemt het lijden:

een weinig tijds.

En onze bestemming:

eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

Dat betekent niet dat Petrus menselijk lijden bagatelliseert. Een nacht kan verschrikkelijk lang duren wanneer je pijn hebt. Een periode van verlies kan jaren doorwerken.

Maar tegenover de eeuwigheid krijgt zelfs een mensenleven een andere verhouding.

Paulus schrijft iets vergelijkbaars:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” (Romeinen 8:18, STV)

Daar ligt christelijke hoop.

Niet: het wordt morgen gemakkelijker.

Maar:

dit is niet het einde van het verhaal.

 

God is bezig,ook wanneer wij dat niet zien of voelen

Petrus gebruikt vervolgens vier prachtige woorden:

“…Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (STV)

Dat is opmerkelijk.

De gelovige kan tijdens beproeving het gevoel hebben dat alles wordt afgebroken.

Petrus zegt dat God ondertussen bezig is te funderen.

Wij voelen zwakheid.

God versterkt.

Wij ervaren onzekerheid.

God bevestigt.

Wij zien onvolkomenheid.

God volmaakt.

Dat is een heel andere boodschap dan: als je geloof sterk genoeg is, zal God de beproeving verwijderen.

Misschien doet Hij dat.

Maar misschien ook wel niet.

Zijn belofte is groter dan onmiddellijke verlichting.

Zijn uiteindelijke doel is de gelovige brengen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

 

Christelijke kracht begint waar zelfvertrouwen ophoudt

Daarmee raakt dit gedeelte ook aan een bredere Bijbelse lijn.

Wij denken bij geestelijke groei gemakkelijk aan steeds sterker worden. Maar Bijbels gezien betekent groeien vaak dat wij steeds minder vertrouwen stellen in onze eigen kracht en steeds meer leren leven uit Gods kracht.

Paulus schrijft:

“Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (2 Korinthe 1:9, STV)

Dat is geen nederlaag.

Dat is geestelijke volwassenheid.

Het “ik red mij wel” moet plaatsmaken voor vertrouwen op Hem Die zelfs de doden opwekt.

Daarom begint Petrus ook met:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods…” (STV)

En hij eindigt met:

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Zie je de richting?

Van onze zwakheid naar Zijn kracht.

Van onze bekommernis naar Zijn zorg.

Van tijdelijk lijden naar eeuwige heerlijkheid.

Van de briesende leeuw naar de God aller genade.

 

Geef de briesende leeuw niet de hoofdrol

Misschien moeten we daar ook in onze prediking veel nuchterder in worden.

Ja, de duivel bestaat.

Ja, hij is onze tegenpartij.

Ja, Petrus waarschuwt ernstig voor hem.

Maar lees hoeveel aandacht hij uiteindelijk krijgt.

De leeuw brult.

Maar God bepaalt

De tegenstander zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zorgt voor u.

Het lijden is werkelijk.

Maar het duurt een weinig tijds.

Gods heerlijkheid daarentegen is eeuwig.

Daarom hoeft een christen niet voortdurend angstig bezig te zijn met wat de duivel mogelijk doet.

Petrus richt onze blik uiteindelijk niet op de tegenstander, maar op:

“De God nu aller genade…” (STV)

Dát is waar de ogen van de gelovige behoren te rusten.

 

Hij zorgt voor u

Misschien lees je dit wel terwijl er helemaal niets spectaculairs in je leven gebeurt.

Geen doorbraak.

Geen onmiddellijke oplossing.

Misschien bid je al lange tijd voor iets en lijkt de hemel gesloten.

Dan zegt Petrus niet dat je harder moet geloven en je best doen totdat God eindelijk in beweging komt.

Hij zegt:

                                                                                       “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Leg het bij Hem.

Ook voor de honderdste keer.

En wanneer de tegenstander fluistert dat Gods stilte betekent dat God afwezig is, blijf dan staan.

Vast in het geloof

Want degene die jou geroepen heeft, is niet zomaar God.

Petrus noemt Hem:

De God aller genade.

En Hij heeft je niet geroepen tot een eindeloos bestaan van strijd en lijden.

Hij heeft je geroepen:

“…tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus…” (STV)

De leeuw mag een tijdlang brullen.

Het lijden mag een tijdlang pijn doen.

De zorgen kunnen zwaar wegen.

Maar geen daarvan krijgt het laatste woord.

Dat woord behoort aan de God aller genade.

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Geverifieerd door MonsterInsights