Een Bijbelse toets van de eerste openbaring van de islam
In dit apologetische blog wordt onderzocht of Mohammeds eerste openbaring de toets van de Bijbel doorstaat. De ervaring in de grot van Hira wordt vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4. Daarbij komt vooral de vraag naar voren of Waraka’s bevestiging werkelijk overeenkomt met de eerdere Schriften. De conclusie is dat Mohammeds boodschap niet aansluit bij het Bijbelse getuigenis, maar botst frontaal met het Evangelie van Jezus Christus.
De vraag of Mohammed echt een profeet van God was(video van Jos), is allesbehalve bijzaak. Zij raakt het fundament van de islam. Als Mohammed door God gezonden is, dan moet zijn boodschap ernstig genomen worden. Maar als hij géén profeet van God was, dan valt de aanspraak van de islam als goddelijke openbaring weg.
Daarom is de vraag niet: vinden wij Mohammed indrukwekkend?
De vraag is: doorstaat zijn roeping de toets van Gods eerdere openbaring?
Waarop baseert de islam eigenlijk dat Mohammed een profeet was en dat zijn openbaringen van God kwamen? Daarbij wordt Mohammeds eerste ervaring in de grot van Hira vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4.

De islam begint met een onzekere ervaring
Volgens de islamitische overlevering trok Mohammed zich terug in de grot van Hira. Daar verscheen een engel die hem opdroeg te lezen. Mohammed antwoordde dat hij niet kon lezen. Vervolgens werd hij door die engel hard vastgegrepen en aangedrukt. Dit herhaalde zich meerdere keren.
Wat daarna opvalt, is niet rust, zekerheid of aanbidding, maar angst.
Mohammed keert terug naar Khadija en zegt: “Bedek mij, bedek mij.” Hij is bang dat er iets met hem gebeurt. Hij weet op dat moment kennelijk niet zeker wat hij heeft meegemaakt. Khadija weet dat evenmin. Zij stelt hem gerust op basis van zijn karakter: hij is goed voor zijn familie, helpt armen, is gastvrij en ondersteunt mensen in nood.
Maar een goed karakter bewijst nog geen profeetschap.
Dat iemand moreel respectabel is, betekent nog niet dat zijn geestelijke ervaring van God komt. Ook religieuze ernst, afzondering, vasten, visioenen of intense belevingen zijn op zichzelf geen bewijs van goddelijke openbaring. De Bijbel leert juist dat geestelijke ervaringen getoetst moeten worden.
“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.”
1 Johannes 4:1 (STV)
Daar ligt meteen het kernpunt: Mohammeds eerste openbaring vraagt om toetsing.
Waraka wordt de eerste uitlegger van Mohammeds ervaring
Na deze gebeurtenis brengt Khadija Mohammed bij Waraka ibn Nawfal. Waraka wordt beschreven als iemand met kennis van de eerdere Schriften. Hij was vertrouwd met de Torah en het Evangelie. Hij zegt tegen Mohammed dat dit dezelfde engel zou zijn die tot Mozes kwam.
Dat is een zeer belangrijk moment.
Want Mohammeds ervaring wordt op dat punt niet bevestigd door de Koran — die bestond immers nog niet als afgeronde openbaring. De ervaring wordt ook niet bevestigd door duidelijke tekenen voor het volk. De eerste duiding komt van Waraka, en Waraka beroept zich in feite op de eerdere Schriften.
Dat betekent dat de claim eerlijk getoetst mag worden aan diezelfde Schriften.
Als Waraka zegt: “dit is zoals bij Mozes”, dan rijst de vraag: is dat zo?
De Bijbel is ook hier geen bijzaak
Veel moslims stellen dat de Bijbel vervalst is. Maar dat argument wordt problematisch wanneer Mohammeds eerste bevestiging juist afhankelijk wordt gemaakt van iemand die zich op de eerdere Schriften beroept.
Als de Torah en het Evangelie in principe onbetrouwbaar zijn, waarom zou Waraka’s bevestiging dan betrouwbaar zijn?
En als Waraka’s bevestiging betrouwbaar is omdat hij de eerdere Schriften kende, dan mogen die Schriften ook spreken. Dan mogen wij Exodus openslaan en vragen: lijkt Mohammeds roeping ook maar enigszins op die van Mozes?
Dat is geen oneerlijke vraag. Dat is juist consequent toetsen.
De vraag of Mohammed werkelijk een profeet was, moet niet worden beantwoord op basis van religieuze traditie, maar op grond van Gods eerdere openbaring.
Mozes wist Wie tot hem sprak
Wanneer Mozes in Exodus 3 bij de brandende braamstruik komt, is de situatie radicaal anders. Daar is geen verwarrende worsteling met een onbekende geestelijke macht. Daar is geen paniek waarin Mozes naar huis vlucht en door een familielid gerustgesteld moet worden.
God maakt Zichzelf bekend.
De HEERE zegt:
“Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.”
Exodus 3:6 (STV)
Mozes weet met Wie hij te maken heeft. Hij vreest, ja, maar dat is heilige eerbied. Hij bedekt zijn gezicht omdat hij beseft dat hij voor God staat. Dat is iets heel anders dan geestelijke ontreddering zonder zekerheid over de bron van de ervaring.
Bij Mozes is er duidelijke openbaring. God spreekt. God noemt Zichzelf. God geeft een opdracht. God verbindt die opdracht aan Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. De roeping van Mozes staat in de lijn van Gods eerdere beloften.
Bij Mohammed ontbreekt juist dat soort Bijbelse helderheid.
Mozes kreeg een concrete opdracht
God roept Mozes niet tot een vaag religieus bewustzijn. Hij geeft hem een concrete opdracht:
Mozes moet naar Farao gaan.
Mozes moet Israël uit Egypte leiden.
Mozes wordt gezonden binnen Gods verbondsgeschiedenis.
Mozes krijgt woorden van God mee.
Mozes krijgt tekenen ter bevestiging.
Wanneer Mozes vreest dat het volk hem niet zal geloven, geeft God hem tekenen. Zijn staf wordt een slang. Zijn hand wordt melaats en wordt weer hersteld. Het water uit de Nijl zal bloed worden. Die tekenen zijn niet bedoeld als religieus spektakel, maar als bevestiging dat de HEERE werkelijk gesproken heeft.
Mozes hoeft niet te zeggen: “Ik had een intense ervaring, geloof mij maar.”
God Zelf bevestigt Zijn knecht.
Bij Mohammed ontbreekt de Bijbelse bevestiging
Daar wringt het.
Bij Mohammeds eerste ervaring zien we volgens de overlevering angst, verwarring en onzekerheid. Hij moet door Khadija gerustgesteld worden. Vervolgens moet Waraka de ervaring verklaren. Maar er is geen directe Bijbelse bevestiging zoals bij Mozes.
Geen brandende braamstruik waarin God Zichzelf openbaart als de God van Abraham, Izak en Jakob.
Geen duidelijke verbondslijn.
Geen tekenen voor het volk.
Geen bevestiging zoals bij Mozes tegenover Aäron en de oudsten van Israël.
Geen openbaring die overeenstemt met het Evangelie van Christus.
En dat laatste is doorslaggevend.
Want de Bijbel geeft een ernstige waarschuwing:
“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.”
Galaten 1:8 (STV)
Let op: Paulus zegt zelfs dat een engel uit de hemel niet automatisch geloofd mag worden. De vraag is niet alleen: was er een engel? De vraag is: welke boodschap bracht hij?
Als de boodschap afwijkt van het Evangelie van Jezus Christus, dan moet zij verworpen worden.
De cruciale vraag: welke Jezus wordt verkondigd?
De islam erkent Jezus als profeet, maar verwerpt Hem als de gekruisigde en opgestane Zoon van God. Zij ontkent dat Jezus werkelijk de Middelaar is zoals het Nieuwe Testament Hem verkondigt. Zij ontkent het hart van het Evangelie: Christus gestorven voor onze zonden, begraven en opgewekt naar de Schriften.
Maar de apostolische boodschap is helder:
“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
1 Korinthe 15:3-4 (STV)
Daar staat of valt alles mee.
Een religie die Jezus eert als profeet maar Hem niet erkent zoals de Schrift Hem openbaart, geeft niet te veel eer aan Jezus, maar te weinig. Zij houdt een andere Jezus over: een Jezus zonder kruis als verzoening, zonder opstanding als overwinning, zonder volkomen middelaarschap.
Dat is geen klein verschilletje. Dat is een ander evangelie.
Mozes wees vooruit naar Christus, niet naar Mohammed
In Deuteronomium 18 wordt gesproken over een profeet als Mozes. Islamitische apologeten verbinden dit vaak met Mohammed. Maar het Nieuwe Testament past deze verwachting toe op Christus.
Petrus zegt in Handelingen 3 dat Mozes gesproken heeft over de Profeet Die God zou verwekken, en hij verbindt dat met Jezus Christus. De lijn van Mozes loopt dus niet naar Mohammed, maar naar de Heere Jezus.
Mozes was middelaar van het oude verbond.
Christus is Middelaar van het nieuwe verbond.
Mozes leidde Israël uit Egypte.
Christus verlost zondaren uit zonde, dood en oordeel.
Mozes bracht de wet.
Christus bracht genade en waarheid.
“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.”
Johannes 1:17 (STV)
Wie Mozes echt en nauwkeurig volgt, komt niet uit bij de islam, maar bij de Here Jezus Christus.
Het probleem is niet eens Mohammeds karakter, maar zijn claim
Dit blog is geen aanval op moslims als mensen. Moslims zijn onze medemensen. Zij moeten net als iedereen met respect en liefde benaderd worden. Maar liefde betekent niet dat wij geestelijke claims dan maar ongetoetst laten uit angst te kwetsen of zo.
Het probleem is niet dat Mohammed religieus was.
Het probleem is niet dat hij ernstig zocht.
Het probleem is niet dat hij invloedrijk werd.
Het probleem is zijn claim: dat hij openbaring van God ontving die het Bijbelse getuigenis corrigeert, aanvult en uiteindelijk grof tegenspreekt.
Die claim kan een christen nooit aanvaarden.
Want God heeft gesproken in Zijn Zoon.
“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.”
Hebreeën 1:1-2 (STV)
Dat is beslissend. Na Christus komt er geen profeet die het Evangelie mag herschrijven. Er komt geen latere openbaring die de kruisdood van Christus relativeert of ontkent. Er komt geen engel die een ander evangelie mag brengen.
Het overzicht
Wanneer Mohammeds eerste openbaring wordt vergeleken met Mozes’ roeping, vallen de verschillen op.
Mozes wordt geroepen door de God van Abraham, Izak en Jakob.
Mohammed wordt geconfronteerd met een ervaring die hij zelf niet begrijpt.
Mozes ontvangt een duidelijke opdracht.
Mohammed keert angstig terug en moet gerustgesteld worden.
Mozes krijgt tekenen van God ter bevestiging.
Mohammeds ervaring wordt achteraf geduid door Waraka.
Mozes staat in de lijn van Gods verbond met Israël.
Mohammed brengt een boodschap die het apostolische Evangelie tegenspreekt.
Daarom kan een christen niet zeggen: “Mohammed was ook een profeet.” Niet omdat christenen moslims haten, maar omdat zij Christus liefhebben en de Schrift serieus nemen.
De Bijbelse toets is helder:
Een ware profeet spreekt niet tegen Gods eerdere openbaring in.
Een ware engel brengt geen ander evangelie.
Een ware boodschap van God verhoogt Christus zoals de Schrift Hem openbaart.
En precies daar faalt de islamitische claim.
De vraag is daarom niet: was Mohammed oprecht?
De vraag is: was hij door de God van de Bijbel gezonden?
Op grond van de Schrift moet het antwoord zijn: nee.
Want de laatste en beslissende openbaring van God is niet gekomen in de grot van Hira, maar in Jezus Christus, de Zoon van God, gekruisigd en opgestaan.
Wie God wil leren kennen, moet niet naar Mohammed gaan, maar naar de Here Jezus Christus.

