Wat zegt de Bijbel over het ontvangen van de Heilige Geest?

Het onderscheid tussen Handelingen en de brieven

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Voor wie wil weten wat de Bijbel zegt over het ontvangen van de Heilige Geest, is het essentieel om te weten dat het boek Handelingen een historisch overgangsboek is. Handelingen beschrijft de overgang van de bedeling van de Wet en het Jodendom naar de bedeling van Genade en het ontstaan van de Gemeente.

De apostel Paulus vraagt aan discipelen in Efeze:

“Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben niet eens gehoord, of er een Heilige Geest is.” (Handelingen 19:2 STV)

Handelingen beschrijft gelovigen die de Nazarener-gelofte afleggen en hun haar laten knippen om op het altaar in Jeruzalem te offeren (Handelingen 21:23-26).

Apollos was een vurig prediker, maar kende aanvankelijk alleen de doop van Johannes de Doper (Hand. 18:24-26). Priscilla en Aquilla moesten hem de weg van God nauwkeuriger uitleggen.

De twaalf mannen in Efeze (Handelingen 19:1-7) noemden zich wel ‘discipelen’ (leerlingen), maar zij kenden alleen de doop van Johannes en hadden nog niet gehoord van de volbrachte verlossing en de uitstorting van de Heilige Geest. Pas nadat Paulus hen over de Heere Jezus onderwees, kwamen zij tot geloof en ontvingen zij de Geest.

De ontsluiting van het Evangelie in Handelingen

In Handelingen zien we hoe het Evangelie stapsgewijs werd geopend voor verschillende groepen:

De Joden in Jeruzalem op de Pinksterdag (Handelingen 2:1-4).

De Samaritanen (Handelingen 8:14-17).

De Heidenen in het huis van Cornelius (Handelingen 10:44-48).

Bij al deze sleutelmomenten was de apostel Petrus aanwezig, aan wie de Here Jezus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen had toevertrouwd (Matthéüs 16:19). Toen Petrus dit later in Jeruzalem uitlegde, erkende de gemeente dat God ook aan de heidenen de bekering tot het leven had geschonken (Handelingen 11:18).

Ontvangst door geloof

Waar Handelingen de historische overgang beschrijft, ontvouwen de brieven van Paulus de gezonde leer voor de Gemeente. Paulus leert dat elke gelovige op het moment van zijn bekering de Heilige Geest ontvangt.

Sterker gezegd:

Wie de Geest niet heeft , is geen eigendom van Christus

“Doch gij zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” (Romeinen 8:9 STV)

Verzegeld op het moment van geloof

“In Welken gij ook zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, geloofd hebbende, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13 STV)

Gedoopt tot één Lichaam

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13 STV)

Door deze doop met de Heilige Geest wordt de gelovige uit de oude staat (“in Adam”) overgeplaatst in de nieuwe staat (“in Christus”):

“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20)

Het lichaam als tempel van de Geest

“Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Denwelken gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” (1 Korinthe 6:19 STV; zie ook 2 Korinthe.6:16)

De Eenheid van de Geest en de opdracht tot vervulling

In Efeze 4:4-6 vat Paulus de geestelijke werkelijkheid van de bedeling van Genade samen:

“Één lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt in één hoop uwer roeping; Één Heere, één geloof, één doop, Één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.”

Hoewel het bezit van de Heilige Geest vaststaat vanaf het moment van geloof, is er de voortdurende opdracht voor de wandel:

Vervuld zijn met de Geest wil zeggen dat de Geest de leiding over ons denken, spreken en handelen heeft. Dit openbaart zich praktisch in:

Een hart vol lofprijzing en dankbaarheid (Efeze. 5:19-20 STV).

Onderlinge eerbied en onderdanigheid (Efeze 5:21 STV)

Praktische dienstbaarheid in het dagelijks leven (zoals de zeven diakenen in Handelingen 6:3).

Het waarneembare bewijs van de inwoning van de Geest

De Here Jezus zei over de Heilige Geest:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en het u verkondigen” (Johannes 16:14 STV)

Het bewijs dat iemand de Heilige Geest bezit, is dus niet het zoeken naar eigen eer of bijzondere verschijnselen, maar een onweerstaanbaar verlangen om de Here Jezus Christus groot te maken. Stefanus is daar een sprekend voorbeeld van: toen hij vol was van de Heilige Geest, sprak hij niet over zichzelf, maar getuigde hij enkel van Jezus Christus en zag hij de hemel geopend.

Het doel van Gods raadsbesluit staat vast:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God den Vader.” (Filippenzen 2:11 STV)

lees ook:

Een aparte doop in de Geest, leert de Bijbel dit?

 

Staat en toestand van de gelovige

Een belangrijk principe

Waarom tobben zoveel christenen over de vraag of ze wel “goed genoeg” zijn voor God? En hoe kan de apostel Paulus de gelovigen in Korinthe aan de ene kant “geheiligden in Christus Jezus” noemen, terwijl hij hen een paar hoofdstukken verder de mantel uitveegt om hun vleselijke gedrag en onderlinge strijd?

Het antwoord op deze vragen ligt in een belangrijk Bijbels principe: het onderscheid tussen staat (positie) en toestand (praktische wandel). Wie dit onderscheid eenmaal leert zien, ontdekt de sleutel tot de nieuwtestamentische brieven en ervaart de bevrijdende rust van Gods Genade.

 

De staat van de gelovige

De staat van een gelovige is de volmaakte, onveranderlijke en hemelse positie die hij voor God inneemt vanaf het allereerste moment dat hij in Jezus Christus gelooft.

  • Volkomen: Deze positie wordt niet opgebouwd door menselijke inspanning, gebed, kerkelijke ijver, vroomheid of goede werken. Het is een volstrekt onverdiende gave van God op grond van het volbrachte werk van Christus aan het kruis.
  • Voor iedere gelovige: In Gods ogen bezit de meest zwakke, pasbekeerde of onwetende gelovige exact dezelfde rechten, zekerheden en hemelse zegeningen als de meest ervaren en gezegende christen.
  • Onveranderlijk : Onze positie voor God kan in de hemel niet volmaakter worden dan zij nu al is. In Christus is de gelovige gerechtvaardigd, levend gemaakt, mede opgewekt, in de hemel gezet, verzegeld met de Heilige Geest en gemaakt tot een onmisbaar lid van het Lichaam van Christus.

De toestand van de gelovige

De toestand heeft betrekking op het praktische, dagelijkse leven; het leven van de gelovige hier en nu op aarde.

  • Nog in ontwikkeling: Waar de staat vanaf dag één volmaakt is, is de praktijk van het dagelijks leven vaak nog gebrekkig. De wandel en het karakter van een gelovige kunnen in de praktijk helaas nog ver beneden het niveau van zijn hemelse positie liggen.
  • De strijd tussen oude en nieuwe natuur: In het dagelijks leven ervaart de gelovige de aanwezigheid van de oude natuur (het vlees) en de nieuwe mens (het leven van Christus in ons). Die twee staan van nature tegenover elkaar.

 

Mefiboset bij David - Bijbels type
Mefiboseth bij David

Mefiboseth bij koning David

In de Bijbel wordt dit onderscheid prachtig geïllustreerd aan de hand van de geschiedenis van Mefiboseth uit 2 Samuël 9:

Mefiboseth was de kleinzoon van koning Saul. Hij was kreupel aan beide voeten door een val in zijn jeugd en woonde in Lo-Debar , een dorre plaats die “geen weide” betekent. Uit liefde voor zijn vriend Jonathan haalde koning David Mefiboseth op en schonk hem een vaste plaats aan de koninklijke tafel.

  • Zijn staat veranderde radicaal: Op het moment dat David hem aannam, werd Mefiboseths staat die van een koningszoon. Hij zat dagelijks aan de tafel van de koning en deelde in de rijkdom van het paleis.
  • Zijn toestand bleef hetzelfde: Hoewel zijn staat verheven was tot die van een koningskind, bleef zijn praktische toestand onveranderd: hij bleef kreupel aan beide voeten. Onder de koninklijke tafel waren zijn verlamde voeten echter bedekt door de genade van de koning.

Zo draagt ook de gelovige een zwak en vernederd lichaam met zich mee, terwijl hij door God geplaatst is op de hoogst denkbare koninklijke positie.

De volgorde

Een van de grootste bevrijdingen in het christelijk leven is het inzicht in Gods volgorde van handelen. Onder de Wet van Mozes eiste God eerst gehoorzaamheid voordat de mens zegen kon ontvangen (“Doe en leef”). Onder de Genade werkt God precies andersom (“Geloof en leef”):

  1. God geeft eerst de hoogst denkbare staat om niet, op grond van geloof.
  2. God vermaant de gelovige daarna om te wandelen in overeenstemming met de positie die hij al gekregen heeft.

Onze levenswandel is niet de voorwaarde om bij God te horen, maar het gevolg van het feit dat we bij Hem horen.

Ons karakter is niet de grond van onze positie, maar onze positie is de bron van ons nieuwe karakter.

 

Bijbels onderscheid tussen staat en toestand

In het Nieuwe Testament vinden we talloze teksten die elkaar op het eerste gezicht lijken tegen te spreken, maar die direct helder worden wanneer we letten op het verschil tussen staat en toestand:

Thema staat  toestand (vermaning)
Het licht “Gij zijt het licht der wereld” (Matthéüs 5:14) “Laat zo uw licht schijnen” (Matthéüs 5:16)
Heiliging “Eens voor altijd geheiligd” (Hebreeën 10:10) “De God des vredes heilige u geheel en al” (1 Thessalonicenzen 5:23)
Volmaaktheid “In eeuwigheid volmaakt” (Hebreeën 10:14) “Niet dat ik het reeds verkregen heb, maar ik jaag daarnaar” (Filippenzen 3:12)
Sterven met Christus “Der wet gedood door het lichaam van Christus” (Romeinen 7:4) “Doodt dan uw leden die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:5)

 

Leven vanuit een reeds geschonken positie

Als u niet weet dat u in Christus nú al een volmaakte positie inneemt, zult u steeds proberen uw eigen heil te bewerken om zelf Gods goedkeuring te verdienen. Dat leidt óf tot wettische hoogmoed óf tot diepe ontmoediging.

Gods opvoeding in ons leven, door de inwoning van de Heilige Geest, de tuchtiging van de Vader en de onderwijzing van het Woord,  heeft maar één doel: ons praktische leven (toestand) steeds meer gelijkvormig te maken aan de volmaakte positie (staat) die wij in Christus al bezitten.

U hoeft niet te werken náár een positie; u mag leven úit een positie die u al geschonken is.

De rode draad van de Bijbel: De zeven verbonden ontrafeld

Geen losse verzameling

De Bijbel is geen verzameling van losstaande verhalen en feiten, maar een ontvouwing van Gods Heilsplan met de mensheid. Een van de belangrijkste sleutels om deze rode draad te begrijpen, is kennis van zeven verbonden die God in de loop van de geschiedenis met mensen heeft gesloten.

In de Bijbel wordt zichtbaar hoe deze zeven verbonden de essentie vormen van de verhouding tussen God en de mens. Wie deze verbonden leert onderscheiden, ziet hoe Gods beloften zich stap voor stap ontvouwen en hoe elk verbond uiteindelijk heenwijst naar Jezus Christus.

De zeven Bijbelse verbonden
De zeven Bijbelse verbonden

Wat is een Bijbels verbond?

In Bijbelse zin is een verbond een heilig oordeel, toezegging of afspraak waarmee God Zich bindt aan de mensheid of aan een specifiek volk. Er is een onderscheid te maken tussen twee soorten verbonden:

Voorwaardelijke verbonden

Deze werken volgens het principe ”Indien gij zult… dan zal Ik..”. De zegen en de vervulling zijn afhankelijk van de gehoorzaamheid en de trouw van de mens. Het Mozaïsche Verbond bij de Sinaï is het enige voorwaardelijke verbond in de Bijbel.

Onvoorwaardelijke verbonden

Deze rusten uitsluitend op de toezegging van God, uitgedrukt in Zijn soevereine ”Ik zal”. Zelfs wanneer de mens faalt, blijft de belofte van God onveranderlijk van kracht. De overige zes verbonden dragen dit onvoorwaardelijke karakter.

De zeven Bijbelse verbonden in vogelvlucht

Het Adamitische Verbond (Genesis 3:14-19)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten direct na de zondeval in de hof van Eden.

Toen de eerste mens in gehoorzaamheid faalde en in zonde viel, maakte God de ingrijpende gevolgen voor de mensheid en de schepping bekend. Hoewel de mens onder de gevolgen van de zonde kwam te staan, legde God tegelijk de allereerste evangeliebelofte (de moederbelofte of het protoevangelie) in dit verbond vast

De belangrijkste elementen van het Adamitische verbond zijn:

De vloek over de slang: De satan wordt geoordeeld en er wordt een voortdurende vijandschap gesteld tussen zijn zaad en het Zaad van de vrouw.

De gevolgen voor de mens: Smarten bij zwangerschap en geboorte voor de vrouw, en zware, moeizame arbeid op de door de zonde vervloekte aardbodem voor de man.

Lichamelijke dood: De mens werd onderworpen aan de lichamelijke dood: “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren”.

De Messiaanse belofte: De belofte dat het Zaad van de vrouw uiteindelijk de kop van de slang zal verbrijzelen, hoewel dit gepaard zou gaan met het lijden (de hielverbrijzeling) van de Verlosser.

Het Noachitische Verbond (Genesis 8:20-9:27)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten na de wereldwijde zondvloed, toen Noach een offer bracht op de gereinigde aarde.

Nadat de mensheid in totale verdorvenheid was vervallen en door de zondvloed werd geoordeeld, sloot God een verbond met Noach, zijn nageslacht en alle levende wezens op aarde.

De kernpunten van het Noachitische verbond zijn:

Garantie tegen een nieuwe zondvloed: God beloofde dat het menselijk ras en de aarde nooit meer door de wateren van een zondvloed zouden worden uitgeroeid. De regenboog werd gegeven als een zichtbaar teken van deze trouw.

Bestendigheid van de natuurorde: De seizoenen, zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter zullen niet meer ophouden zolang de aarde bestaat.

Nieuwe stamvaders: De drie zonen van Noach (Sem, Cham en Jafeth) werden de stamvaders van de gehele mensheid na de zondvloed.

Instelling van de menselijke overheid: God stelde de menselijke overheid in met het recht en de plicht om het kwaad te bestraffen en de menselijke samenleving te beschermen.

Het Abrahamitische Verbond (Genesis 12:1-3; 15:1-18; 17:1-8)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten bij de roeping van Abram uit Ur der Chaldeeën en bevestigd bij het verbondsoffer in Genesis 15.

Het Abrahamitische verbond is een absoluut sleutelverbond in de heilsgeschiedenis. God riep één man uit de heidense volkerenwereld om een bijzonder volk te vormen dat in een speciale verbondsrelatie tot Hem zou staan.

Dit verbond berust op zeven goddelijke toezeggingen (“Ik zal”):

Een natuurlijk nageslacht en volk: Het ontstaan van het volk Israël uit de lendenen van Abraham, Izak en Jakob.

Eigendomsrecht op het land: De onvoorwaardelijke toewijzing van het land Kanaän aan het Zaad van Abraham tot een eeuwige bezitting.

Geestelijk nageslacht en verlossing: Het verbond bevat de belofte van een hemels nageslacht dat deelt in de rechtvaardiging door het geloof.

Goddelijke bescherming: God beloofde degenen te zegenen die Abraham zegenen, en degene te vervloeken die hem vervloekt.

Universele zegen: De belofte dat in Abrahams Zaad ” dat is Christus” alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden.

Genesis 15 schetst op indrukwekkende wijze het onvoorwaardelijke karakter: terwijl Abraham in een diepe slaap was gevallen, ging God Zelf (als een rokende oven en een vurige fakkel) tussen de offerstukken door. God bindt de vervulling uitsluitend aan Zijn eigen trouw.

Het Mozaïsche Verbond (Exodus 19-30)

Karakter: Voorwaardelijk

Context: Gesloten bij de berg Sinaï, ongeveer 2500 jaar na de schepping en 430 jaar na het verbond met Abraham.

Het Mozaïsche verbond is het enige voorwaardelijke verbond in de Schrift. God gaf de Wet aan het volk Israël nadat Hij hen uit Egypte had verlost. Het verbond functioneerde op de strakke regel: “Indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen… dan zult gij Mijn eigendom zijn”.

Het Mozaïsche verbond omvatte een drievoudige structuur:

De Geboden (Exodus 20:1-17): De zedelijke wet, neergeschreven op stenen tafelen.De Rechten** (Exodus 21:1-24:11): De burgerlijke wetten voor de ordening van de Israëlitische maatschappij.

De Inzettingen (Exodus 24:12-31:18): De godsdienstige wetten voor de tabernakel, het priesterschap en de offerdiensten.

Het doel van het Mozaïsche verbond was niet om de mens te rechtvaardigen ”uit de werken der wet wordt immers geen vlees gerechtvaardigd (Romeinen 3:20) ” maar om de zonde te openbaren, de mens zijn onvermogen te tonen en te dienen als een tuchtmeester tot Christus.

Het Diaspora-verbond / Palestijns Verbond (Deuteronomium 30:1-9)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Door Mozes aan Israël bekendgemaakt in de vlakten van Moab, vlak voor de intocht in Kanaän.

Het Diaspora-verbond (afgeleid van het Griekse woord voor verstrooiing) vult het Mozaïsche verbond aan en heeft betrekking op de toekomst van Israël in relatie tot het beloofde land.

De belangrijkste elementen van dit verbond zijn:

Voorzegging van de verstrooiing: De profetische aankondiging dat Israël wegens ontrouw uit het land zou worden verdreven en wereldwijd verstrooid.

Toekomstige bekering: De belofte dat het volk in de verstrooiing de Heere weer zou zoeken met hun hele hart.

Nationale terugkeer: De garantie dat God Zijn volk uit alle naties zal her verzamelen en hen zal terugbrengen naar het land dat hun vaderen bezaten.

Inwendige besnijdenis van het hart: God zal het hart van het volk en hun nageslacht besnijden om Hem lief te hebben, waarna de vervloekingen zullen vallen op hun vijanden.

Het Davidische Verbond (2 Samuel 7:5-29)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten met koning David toen hij het voornemen uitsprak om een tempel voor God te bouwen.

Toen David een huis voor God wilde bouwen, maakte de Heere bekend dat Hij een huis voor David zou bouwen: een koninklijk huis, een ononderbroken dynastie en een eeuwig koninkrijk.

De kernvoorwaarden van het Davidische verbond omvatten:

Een eeuwig huis (dynastie): Davids nageslacht zal nooit worden uitgeroeid.

Een eeuwige troon (gezag): Het koninklijk gezag blijft rechtmatig bij het huis van David behoren.

Een eeuwig koninkrijk: Het geografische en nationale gezagsgebied van David blijft voor eeuwig vaststaan.

Tuchtiging bij zonde: Wanneer individuele koningen uit het nageslacht van David zouden zondigen, zou God hen tuchtigen met menselijke slagen, maar Zijn goedertierenheid zou nooit van het koningshuis wijken.

Dit verbond vindt zijn volkomen en uiteindelijke vervulling in de Here Jezus Christus, de Zoon van David, Die geboren werd uit het geslacht van David en aan Wie de engel Gabriel de troon van Zijn vader David toezegde (Lukas 1:31-33).

Het Nieuwe Verbond (Jeremia 31:31-34; Hebreeën 8:6-13)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Profetisch aangekondigd door Jeremia en bekrachtigd door het offer van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha.

Het Nieuwe Verbond is het sluitstuk en de kroon op Gods verbondswerk. Het is gefundeerd op het volbrachte werk en het bloed van Christus (Matth. 26:28).

De kenmerken van het nieuwe Verbond zijn:

Beloofd aan Israël en Juda: Profetisch is het Nieuwe Verbond toegezegd aan het herenigde Huis van Israël (10 stammen) en Huis van Juda (2 stammen).

Vernieuwing van het binnenste: De wet wordt niet meer op stenen tafelen geschreven, maar door de Heilige Geest in het hart en het binnenste van de gelovige gegeven.

Volkomen vergeving: De zonden en ongerechtigheden worden nooit meer gedacht.

Intieme kennis van God: Allen zullen de Heere kennen, van de kleinste tot de grootste.

Hoewel het Nieuwe Verbond in profetisch opzicht zijn nationale vervulling gaat krijgen bij de bekering van Israël, hebben gelovigen in de huidige genadetijd (de Gemeente) nu al volkomen deel aan de geestelijke zegeningen van dit verbond.

Tabel van de Zeven Verbonden ( link hiervoor heb je Excel nodig)

Christus als het Middelpunt en de Vervulling van alle verbonden

Het meest indrukwekkende gegeven van de Bijbelse verbonden leer is dat de zeven verbonden niet op zichzelf staan, maar allemaal samenkomen in de Persoon en het werk van Jezus Christus.

Christus is de unieke Schakel en Vervuller van elk afzonderlijk verbond:

In het Adamitische Verbond: Hij is het beloofde “Zaad van de vrouw* dat de kop van de satan heeft verbrijzeld aan het kruis.

In het Noachitische Verbond: Als mens kwam Hij onder de levensvoorwaarden van het menselijk geslacht op aarde.

In het Abrahamitische Verbond: Hij is het unieke *”Zaad van Abraham”* (Galaten 3:16) aan Wie al de beloften zijn toegezegd en door Wie de heidenen gezegend worden.

In het Mozaïsche Verbond: Hij heeft de Wet volkomen vervuld en droeg de vloek van de Wet aan het kruis om ons van de vloek te verlossen (Galaten 3:13).

In het Diaspora-verbond: Hij is de Goede Herder Die Zijn verstrooide schapen zal terugbrengen en verzamelen in het land der belofte.

In het Davidische Verbond: Hij is de Erfgenaam, de koninklijke Zoon van David Die in de toekomst zal heersen op de troon van David in Jeruzalem.

In het Nieuwe Verbond: Hij is de Borg, Middelaar en de grote Hogepriester Die het Nieuwe Verbond heeft bekrachtigd met Zijn eigen dierbaar bloed.

Conclusie: Een onwankelbaar fundament van Gods trouw

Studie van de zeven verbonden laat zien dat God een God van orde, trouw en onveranderlijke beloften is. Waar de mens onder elke omstandigheid faalt vanaf de hof van Eden tot onder de Wet van Sinaï blijft God trouw aan Zijn verbondsbeloften.

Voor de gelovige in onze tijd bieden de verbonden een diepe rust. Omdat ons behoud en onze gemeenschap met God verankerd liggen in het Nieuwe Verbond en het volbrachte werk van Jezus Christus, rust ons geloof niet op onze eigen wankele prestaties, maar op het onwankelbare “Ik zal” van een getrouw God.

Geverifieerd door MonsterInsights